Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2011:BT2299
2011-09-23
Bestuursrecht; Belastingrecht
11/00473
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2011:BT2299 → ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ0439 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Winst. Artikelen 8a, lid 4, en 9 Wet IB 1964. Geen voorziening mogelijk t.z.v. een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (33)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1233 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:26425 Rechtbank Den Haag 03-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2781 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2781 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-10-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15824 Rechtbank Noord-Holland 30-09-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15824 Rechtbank Noord-Holland 30-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4575 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4575 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4575 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3400 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2453 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1342 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8385 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2596 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:6287 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-06-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4062 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4062 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4054 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-08-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:517 Gerechtshof Amsterdam 22-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2018:6896 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-07-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:1910 Rechtbank Gelderland 25-04-2018
- ECLI:NL:RBNHO:2018:132 Rechtbank Noord-Holland 12-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2017:6779 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-08-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1763 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-04-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:897 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:6358 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-08-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2016:2658 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-06-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:2289 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-03-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:648 Gerechtshof Den Haag 01-03-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2015:3891 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-06-2015
- ECLI:NL:RBNHO:2014:8936 Rechtbank Noord-Holland 26-09-2014
- ECLI:NL:GHSHE:2014:2555 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-07-2014
- ECLI:NL:GHARL:2013:8172 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-10-2013
Volledige tekst
Volledige tekst (3.880 tekens)
nr. 11/00473
23 september 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 december 2010, nr. 10/00106, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 09/582) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel I kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet ten laste van de winst over 1999 een passiefpost kon vormen voor een in de toekomst vast te stellen verplichting ter zake van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof heeft daartoe overwogen dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan heeft doen blijken, dat er ultimo 1999 een redelijke mate van zekerheid bestond dat in de jaren daarna een verplichting zou ontstaan uit hoofde van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verplichting pas in 2000 is aangezegd en dat deze ook ten tijde van 's Hofs uitspraak nog door belanghebbende in rechte werd bestreden.
Middel II richt zich tegen deze oordelen met het betoog dat de voor de vorming van een voorziening vereiste redelijke mate van zekerheid dat de uitgaven zich zullen voordoen, reeds aanwezig is zodra de wederrechtelijke voordelen zijn behaald.
3.2.2. Het middel faalt. Het bepaalde in artikel 8a, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 houdt in dat - voor zover hier van belang - de niet-aftrekbaarheid van kosten en lasten ingevolge het bepaalde in het eerste lid, letters d en e, van dat artikel wordt teruggenomen indien het gaat om de voldoening van een geldbedrag ter gehele of gedeeltelijke ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen, waarmee - mede gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling - tot uitdrukking is gebracht dat een dergelijk bedrag niet eerder ten laste van de winst kan worden gebracht dan op het tijdstip waarop dit het vermogen van de belastingplichtige heeft verlaten. Het in een eerder jaar dan het jaar waarin het bedrag wordt voldaan vormen van een voorziening ter zake van die voldoening is hiermee niet verenigbaar.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2011.
23 september 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 december 2010, nr. 10/00106, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 09/582) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel I kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet ten laste van de winst over 1999 een passiefpost kon vormen voor een in de toekomst vast te stellen verplichting ter zake van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof heeft daartoe overwogen dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan heeft doen blijken, dat er ultimo 1999 een redelijke mate van zekerheid bestond dat in de jaren daarna een verplichting zou ontstaan uit hoofde van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verplichting pas in 2000 is aangezegd en dat deze ook ten tijde van 's Hofs uitspraak nog door belanghebbende in rechte werd bestreden.
Middel II richt zich tegen deze oordelen met het betoog dat de voor de vorming van een voorziening vereiste redelijke mate van zekerheid dat de uitgaven zich zullen voordoen, reeds aanwezig is zodra de wederrechtelijke voordelen zijn behaald.
3.2.2. Het middel faalt. Het bepaalde in artikel 8a, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 houdt in dat - voor zover hier van belang - de niet-aftrekbaarheid van kosten en lasten ingevolge het bepaalde in het eerste lid, letters d en e, van dat artikel wordt teruggenomen indien het gaat om de voldoening van een geldbedrag ter gehele of gedeeltelijke ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen, waarmee - mede gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling - tot uitdrukking is gebracht dat een dergelijk bedrag niet eerder ten laste van de winst kan worden gebracht dan op het tijdstip waarop dit het vermogen van de belastingplichtige heeft verlaten. Het in een eerder jaar dan het jaar waarin het bedrag wordt voldaan vormen van een voorziening ter zake van die voldoening is hiermee niet verenigbaar.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2011.