Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2011:BR5151
2011-10-14
Civiel recht; Personen- en familierecht
10/04582
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2011:BR5151 → ECLI:NL:PHR:2011:BR5151
Inhoudsindicatie
Familierecht. Machtiging tot uithuisplaatsing; art. 1:261 lid 1 BW. Procesbelang ouder ondanks verstrijken geldigheidsduur maatregel (HR 24 juni 2011, LJN BQ2292). Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat machtiging plaatsing betreft bij met gezag belaste ouder bij wie minderjarige zijn hoofdverblijf niet heeft.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (51)
- ECLI:NL:PHR:2026:847 Parket bij de Hoge Raad 04-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:683 Parket bij de Hoge Raad 03-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:451 Parket bij de Hoge Raad 01-05-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:842 Gerechtshof Amsterdam 01-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:167 Parket bij de Hoge Raad 07-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2023:3607 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:311 Parket bij de Hoge Raad 24-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1119 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:8741 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-10-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:6501 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:463 Parket bij de Hoge Raad 13-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:953 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-03-2022
- ECLI:NL:HR:2022:395 Hoge Raad 18-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:185 Parket bij de Hoge Raad 25-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1229 Parket bij de Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1229 Parket bij de Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1229 Parket bij de Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1229 Parket bij de Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1111 Parket bij de Hoge Raad 26-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1085 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1085 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1086 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2970 Gerechtshof Amsterdam 20-09-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2954 Gerechtshof Amsterdam 14-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:267 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1216 Gerechtshof Amsterdam 07-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:43 Parket bij de Hoge Raad 17-01-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2019:4361 Gerechtshof Amsterdam 19-11-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:7056 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-08-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:444 Parket bij de Hoge Raad 12-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2018:8423 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-09-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:923 Parket bij de Hoge Raad 17-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:923 Parket bij de Hoge Raad 17-08-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:4024 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-04-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:3098 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:53 Parket bij de Hoge Raad 19-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2017:11043 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-12-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:931 Parket bij de Hoge Raad 08-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:226 Parket bij de Hoge Raad 17-03-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:347 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-01-2017
- ECLI:NL:GHARL:2016:7797 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-09-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2383 Gerechtshof Den Haag 10-08-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2015:4553 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-11-2015
- ECLI:NL:GHARL:2015:7723 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-10-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:2273 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:1716 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:347 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:1738 Parket bij de Hoge Raad 05-09-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1735 Parket bij de Hoge Raad 27-06-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:334 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2014
- ECLI:NL:PHR:2013:1823 Parket bij de Hoge Raad 29-11-2013
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.574 tekens)
14 oktober 2011
Eerste Kamer
10/04582
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT,
gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en Jeugdzorg.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 199586 JE RK 09-184 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 5 februari 2009 en 23 februari 2009;
b. de beschikking in de zaak 199588 JE RK 09-185 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 4 mei 2009;
c. de beschikking in de zaak 213342 JE RK 09-2406 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 3 februari 2010;
d. de beschikking in de zaak 214446 JE RK 10-104 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 12 februari 2010;
e. de beschikking in de zaak HV 200.063.069/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 juli 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Jeugdzorg heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 26 augustus 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) is op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] geboren [de zoon] (hierna: de minderjarige). Beide ouders hebben het gezag over de minderjarige.
(ii) De minderjarige staat vanaf 5 februari 2009 onder toezicht van Jeugdzorg. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van de kinderrechter van 3 februari 2010 verlengd tot 5 februari 2011.
(iii) De minderjarige is voorts sinds 5 februari 2009 uit huis geplaatst op grond van een daartoe aan Jeugdzorg verleende machtiging tot uithuisplaatsing "in een verblijf pleegouder 24 uur". De minderjarige heeft vanaf die datum bij verschillende pleeggezinnen verbleven.
De machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin is verlengd bij beschikking van de kinderrechter van 4 mei 2009 tot uiterlijk 5 februari 2010. Op 13 november 2009 is de minderjarige bij de vader geplaatst.
3.2 De kinderrechter heeft Jeugdzorg bij beschikking van 12 februari 2010 gemachtigd de minderjarige uit huis te plaatsen bij de vader met ingang van 12 februari 2010 tot het einde van de ondertoezichtstelling, doch uiterlijk tot 5 februari 2011.
3.3 De moeder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Bij zijn bestreden beschikking heeft het hof de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk dat zijn verblijf bij de vader wordt voortgezet (rov. 3.7.7). Het hof achtte daartoe een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk, nu de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder is bepaald en er geen sprake is van een vrijwillige uithuisplaatsing door de moeder bij de vader. Dat het een uithuisplaatsing betreft bij de andere ouder met gezag, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders (rov. 3.7.8).
4. Beoordeling van het belang bij het beroep
De periode waarvoor de op grond van art. 1:261 lid 1 BW aan Jeugdzorg verleende machtiging is gegeven, is inmiddels verstreken. Naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak S.T.S. tegen Nederland van 7 juni 2011, no. 277/05, is de Hoge Raad bij beschikking van 24 juni 2011, LJN BQ2292, teruggekomen van zijn 'geen-belang'-rechtspraak, in zoverre dat aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, zijn procesbelang niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold, inmiddels is verstreken (rov. 3.7 van genoemde beschikking). In het verlengde van deze beschikking wordt ook in gevallen als het onderhavige, waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind, aangenomen dat deze ouder, gelet op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang erbij heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.
5. Beoordeling van de middelen
5.1 Middel II klaagt in onderdeel 6.3 dat het hof heeft miskend dat een op de voet van art. 1:261 lid 1 gegeven machtiging slechts ziet op "externe plaatsing" en mitsdien niet ertoe kan dienen de minderjarige uit huis te plaatsen bij de andere, met gezag belaste ouder. Betoogd wordt dat de vader zelfstandig (op de voet van art. 1:253a BW) wijziging van het hoofdverblijf had moeten verzoeken teneinde plaatsing van de minderjarige bij hem te kunnen realiseren.
5.2 Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de in art. 1:261 lid 1 bedoelde machtiging tot uithuisplaatsing een plaatsing betreft bij de met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijf niet heeft. Hierop stuit onderdeel 6.3 in zijn geheel af.
5.3 De overige klachten van middel II, alsmede de in middel I aangevoerde klachten, kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 14 oktober 2011.
Eerste Kamer
10/04582
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT,
gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en Jeugdzorg.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 199586 JE RK 09-184 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 5 februari 2009 en 23 februari 2009;
b. de beschikking in de zaak 199588 JE RK 09-185 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 4 mei 2009;
c. de beschikking in de zaak 213342 JE RK 09-2406 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 3 februari 2010;
d. de beschikking in de zaak 214446 JE RK 10-104 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 12 februari 2010;
e. de beschikking in de zaak HV 200.063.069/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 juli 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Jeugdzorg heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 26 augustus 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) is op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] geboren [de zoon] (hierna: de minderjarige). Beide ouders hebben het gezag over de minderjarige.
(ii) De minderjarige staat vanaf 5 februari 2009 onder toezicht van Jeugdzorg. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van de kinderrechter van 3 februari 2010 verlengd tot 5 februari 2011.
(iii) De minderjarige is voorts sinds 5 februari 2009 uit huis geplaatst op grond van een daartoe aan Jeugdzorg verleende machtiging tot uithuisplaatsing "in een verblijf pleegouder 24 uur". De minderjarige heeft vanaf die datum bij verschillende pleeggezinnen verbleven.
De machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin is verlengd bij beschikking van de kinderrechter van 4 mei 2009 tot uiterlijk 5 februari 2010. Op 13 november 2009 is de minderjarige bij de vader geplaatst.
3.2 De kinderrechter heeft Jeugdzorg bij beschikking van 12 februari 2010 gemachtigd de minderjarige uit huis te plaatsen bij de vader met ingang van 12 februari 2010 tot het einde van de ondertoezichtstelling, doch uiterlijk tot 5 februari 2011.
3.3 De moeder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Bij zijn bestreden beschikking heeft het hof de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk dat zijn verblijf bij de vader wordt voortgezet (rov. 3.7.7). Het hof achtte daartoe een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk, nu de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder is bepaald en er geen sprake is van een vrijwillige uithuisplaatsing door de moeder bij de vader. Dat het een uithuisplaatsing betreft bij de andere ouder met gezag, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders (rov. 3.7.8).
4. Beoordeling van het belang bij het beroep
De periode waarvoor de op grond van art. 1:261 lid 1 BW aan Jeugdzorg verleende machtiging is gegeven, is inmiddels verstreken. Naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak S.T.S. tegen Nederland van 7 juni 2011, no. 277/05, is de Hoge Raad bij beschikking van 24 juni 2011, LJN BQ2292, teruggekomen van zijn 'geen-belang'-rechtspraak, in zoverre dat aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, zijn procesbelang niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold, inmiddels is verstreken (rov. 3.7 van genoemde beschikking). In het verlengde van deze beschikking wordt ook in gevallen als het onderhavige, waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind, aangenomen dat deze ouder, gelet op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang erbij heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.
5. Beoordeling van de middelen
5.1 Middel II klaagt in onderdeel 6.3 dat het hof heeft miskend dat een op de voet van art. 1:261 lid 1 gegeven machtiging slechts ziet op "externe plaatsing" en mitsdien niet ertoe kan dienen de minderjarige uit huis te plaatsen bij de andere, met gezag belaste ouder. Betoogd wordt dat de vader zelfstandig (op de voet van art. 1:253a BW) wijziging van het hoofdverblijf had moeten verzoeken teneinde plaatsing van de minderjarige bij hem te kunnen realiseren.
5.2 Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de in art. 1:261 lid 1 bedoelde machtiging tot uithuisplaatsing een plaatsing betreft bij de met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijf niet heeft. Hierop stuit onderdeel 6.3 in zijn geheel af.
5.3 De overige klachten van middel II, alsmede de in middel I aangevoerde klachten, kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 14 oktober 2011.