Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2011:BP5707
2011-06-24
Bestuursrecht; Belastingrecht
10/01299
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2011:BP5707 → ECLI:NL:GHARN:2010:BL4986 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2011:BP5707 → ECLI:NL:PHR:2011:BP5707
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Bron van inkomen? Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (216)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2757 Gerechtshof Den Haag 18-08-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2757 Gerechtshof Den Haag 18-08-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1847 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1347 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2042 Gerechtshof Den Haag 27-05-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2242 Rechtbank Noord-Nederland 26-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2734 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3032 Rechtbank Gelderland 17-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1134 Gerechtshof Amsterdam 14-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1336 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-03-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:527 Gerechtshof Amsterdam 24-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:210 Gerechtshof Den Haag 03-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2403 Gerechtshof Den Haag 29-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2403 Gerechtshof Den Haag 29-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27263 Rechtbank Den Haag 09-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27258 Rechtbank Den Haag 09-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1763 Gerechtshof Den Haag 04-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1763 Gerechtshof Den Haag 04-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:26209 Rechtbank Den Haag 22-07-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3025 Gerechtshof Amsterdam 22-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1854 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3678 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3681 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3679 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3680 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1100 Gerechtshof Den Haag 28-05-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:1544 Rechtbank Noord-Nederland 22-04-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:75 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 26-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:837 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-03-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1563 Rechtbank Gelderland 17-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2612 Gerechtshof Den Haag 11-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2612 Gerechtshof Den Haag 11-12-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:7092 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:7097 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-11-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3391 Gerechtshof Amsterdam 19-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3559 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-11-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2636 Gerechtshof Den Haag 29-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2636 Gerechtshof Den Haag 29-10-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:3338 Rechtbank Noord-Nederland 03-09-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1476 Gerechtshof Den Haag 06-08-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4613 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2148 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4489 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4475 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4445 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:658 Parket bij de Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1036 Gerechtshof Den Haag 04-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1036 Gerechtshof Den Haag 04-06-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1533 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-05-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3503 Rechtbank Noord-Holland 30-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2077 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-03-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:2867 Rechtbank Noord-Holland 14-03-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:7325 Rechtbank Noord-Holland 06-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:907 Gerechtshof Den Haag 14-02-2024
- ECLI:NL:OGEAC:2024:45 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 15-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7331 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-10-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2046 Gerechtshof Den Haag 17-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6375 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-09-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1862 Gerechtshof Den Haag 07-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:12991 Rechtbank Den Haag 29-08-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (5.343 tekens)
Nr. 10/01299
24 juni 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 9 februari 2010, nr. 08/00590, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/782) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 3 februari 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende is in het onderhavige jaar (2005) onder een artiestennaam aangevangen met het verzorgen van muzikale optredens. Reeds vóór 2005 was hij begonnen met het op peil brengen van zijn muzikale vaardigheden en het inspelen van een digitaal orkest dat zorgde voor de begeleiding bij zijn optredens. Belanghebbende heeft zich ingeschreven in het handelsregister van de kamer van koophandel en fabrieken. Belanghebbende voert een boekhouding. In het jaar 2005 heeft hij drie betaalde optredens verzorgd.
3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar een verlies uit onderneming in aanmerking kan nemen en of hij recht heeft op de zelfstandigenaftrek. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de muzikale activiteiten van belanghebbende in het jaar 2005 een bron van inkomen vormen. Tussen partijen was uitsluitend in geschil of sprake is van een (objectieve) voordeelsverwachting.
3.3. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat in het onderhavige jaar (2005) redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat de muzikale activiteiten van belanghebbende in de toekomst positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren en dat derhalve die activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. Het Hof heeft dit oordeel gebaseerd op de omstandigheden dat in de jaren 2005 tot en met 2008 de kosten die verband hielden met de muzikale activiteiten van belanghebbende telkens de daarmee in die jaren behaalde opbrengsten overtroffen, dat in het jaar 2009 in het geheel geen optredens zijn verzorgd, alsmede op belanghebbendes verklaring in zijn hogerberoepschrift dat het niet erg waarschijnlijk was dat zijn muzikale activiteiten reeds op korte termijn tot positieve resultaten zouden leiden.
3.4. De klachten bestrijden 's Hofs oordeel onder meer met het betoog dat de aanwezigheid van een inkomensbron - in dit geval een onderneming - niet mag worden beoordeeld op basis van gegevens van latere jaren ('wijsheid achteraf') alsmede dat het Hof is uitgegaan van een te korte termijn waarbinnen met de muzikale activiteiten redelijkerwijs een positief voordeel is te behalen.
3.5 De vraag of een belastingplichtige in een jaar een onderneming uitoefent, en met name of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen. 's Hofs hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel - waarin het Hof feiten en omstandigheden van de jaren 2006 tot en met 2009 heeft meegewogen - geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel kan voorts, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De klachten falen in zoverre.
3.6. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2011.
24 juni 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 9 februari 2010, nr. 08/00590, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/782) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 3 februari 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende is in het onderhavige jaar (2005) onder een artiestennaam aangevangen met het verzorgen van muzikale optredens. Reeds vóór 2005 was hij begonnen met het op peil brengen van zijn muzikale vaardigheden en het inspelen van een digitaal orkest dat zorgde voor de begeleiding bij zijn optredens. Belanghebbende heeft zich ingeschreven in het handelsregister van de kamer van koophandel en fabrieken. Belanghebbende voert een boekhouding. In het jaar 2005 heeft hij drie betaalde optredens verzorgd.
3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar een verlies uit onderneming in aanmerking kan nemen en of hij recht heeft op de zelfstandigenaftrek. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de muzikale activiteiten van belanghebbende in het jaar 2005 een bron van inkomen vormen. Tussen partijen was uitsluitend in geschil of sprake is van een (objectieve) voordeelsverwachting.
3.3. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat in het onderhavige jaar (2005) redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat de muzikale activiteiten van belanghebbende in de toekomst positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren en dat derhalve die activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. Het Hof heeft dit oordeel gebaseerd op de omstandigheden dat in de jaren 2005 tot en met 2008 de kosten die verband hielden met de muzikale activiteiten van belanghebbende telkens de daarmee in die jaren behaalde opbrengsten overtroffen, dat in het jaar 2009 in het geheel geen optredens zijn verzorgd, alsmede op belanghebbendes verklaring in zijn hogerberoepschrift dat het niet erg waarschijnlijk was dat zijn muzikale activiteiten reeds op korte termijn tot positieve resultaten zouden leiden.
3.4. De klachten bestrijden 's Hofs oordeel onder meer met het betoog dat de aanwezigheid van een inkomensbron - in dit geval een onderneming - niet mag worden beoordeeld op basis van gegevens van latere jaren ('wijsheid achteraf') alsmede dat het Hof is uitgegaan van een te korte termijn waarbinnen met de muzikale activiteiten redelijkerwijs een positief voordeel is te behalen.
3.5 De vraag of een belastingplichtige in een jaar een onderneming uitoefent, en met name of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen. 's Hofs hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel - waarin het Hof feiten en omstandigheden van de jaren 2006 tot en met 2009 heeft meegewogen - geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel kan voorts, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De klachten falen in zoverre.
3.6. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2011.