Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2011:BP2138
2011-01-28
Bestuursrecht; Belastingrecht
10/02285
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 6:9, lid 2, Awb. BNB 2005/305. Poststempel geldt als uitgangspunt bij het bepalen van de dag van terpostbezorging. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als aannemelijk is dat het poststuk voor de datum van afstempeling ter post is bezorgd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (70)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4062 Rechtbank Gelderland 22-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2744 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1301 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-02-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6498 Rechtbank Midden-Nederland 05-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:934 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-04-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:1756 Rechtbank Midden-Nederland 01-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4818 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3123 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-05-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:2926 Rechtbank Noord-Holland 26-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:907 Gerechtshof Den Haag 14-02-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:262 Gerechtshof Amsterdam 16-01-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3583 Gerechtshof Amsterdam 19-12-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:27 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 01-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:8887 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5913 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3958 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-07-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:5018 Rechtbank Noord-Holland 09-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1818 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-06-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:948 Centrale Raad van Beroep 26-04-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2022:51 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 05-04-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1351 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-03-2022
- ECLI:NL:RBROT:2021:12118 Rechtbank Rotterdam 13-12-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5219 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7248 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-07-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:2733 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:654 Gerechtshof Amsterdam 09-02-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3848 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9894 Rechtbank Noord-Holland 27-11-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2455 Gerechtshof Amsterdam 25-08-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3849 Gerechtshof Amsterdam 13-08-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2277 Gerechtshof Amsterdam 13-08-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2216 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:4347 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-06-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1624 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-05-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1624 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-05-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1206 Gerechtshof Amsterdam 07-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:181 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:181 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3089 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-08-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2368 Centrale Raad van Beroep 17-07-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:1784 Gerechtshof Amsterdam 23-05-2019
- ECLI:NL:RBOBR:2019:2597 Rechtbank Oost-Brabant 09-05-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3540 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3541 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:1428 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:455 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-02-2019
- ECLI:NL:GHARL:2018:10965 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-12-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3940 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-09-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:967 Gerechtshof Amsterdam 20-03-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:36 Centrale Raad van Beroep 05-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2017:7793 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-09-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3405 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-07-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:2599 Centrale Raad van Beroep 07-07-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1425 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-03-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:2103 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-03-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2017:786 Gerechtshof Amsterdam 10-01-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2017:786 Gerechtshof Amsterdam 10-01-2017
- ECLI:NL:GHARL:2016:8742 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-11-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:2936 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-04-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:2027 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (6.177 tekens)
nr. 10/02285
28 januari 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 23 april 2010, nr. AWB 10/230, op het verzet van belanghebbende tegen na te melden uitspraak van de Rechtbank betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2007 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar afgewezen.
De Rechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 23 februari 2010 (nr. AWB 10/230) het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1.1. Met dagtekening 26 november 2009 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op belanghebbendes bezwaarschrift. De bekendmaking van deze uitspraak heeft niet later dan op 26 november 2009 plaatsgevonden.
3.1.2. Uitgaande van de onder 3.1.1 vermelde feiten heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de beroepstermijn is aangevangen op 27 november 2009 en zes weken na 26 november 2009, dus op (donderdag) 7 januari 2010, is geëindigd. Voor zover de klachten zich tegen dit oordeel richten, zijn zij ongegrond.
3.2. Het beroepschrift van belanghebbende tegen de in 3.1.1 bedoelde uitspraak is per post verzonden, en is door de Rechtbank ontvangen op (dinsdag) 12 januari 2010. Het beroepschrift is derhalve ontvangen na afloop van de beroepstermijn, maar minder dan een week na het einde van die termijn. De overweging van de Rechtbank dat zij het beroepschrift later dan een week na het einde van de termijn heeft ontvangen, berust kennelijk op een vergissing.
3.3. Gelet op de datum van ontvangst van het beroepschrift heeft de Rechtbank terecht op de voet van artikel 6:9, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht onderzocht of het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn, dus uiterlijk op 7 januari 2010, ter post is bezorgd.
3.4. Dat onderzoek heeft de Rechtbank geleid tot het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit het poststempel blijkt dat het beroepschrift op (maandag) 11 januari 2010 ter post is bezorgd.
3.5. Naar aanleiding van de daartegen gerichte klacht moet het volgende worden vooropgesteld.
3.5.1. Terpostbezorging vindt plaats op het moment waarop een poststuk in de brievenbus wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het op een postvestiging wordt aangeboden (vgl. HR 29 mei 1996, nr. 30950, LJN AA1892, BNB 1996/282).
3.5.2. De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door het postvervoerbedrijf is afgestempeld, sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd (vgl. HR 17 juni 2005, nr. 40737, LJN AT7649, BNB 2005/305).
3.5.3. Dat neemt niet weg dat het datumstempel van het postvervoerbedrijf veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. Dit uitgangspunt sluit aan bij de rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters.
3.5.4. Voor afwijking van dit uitgangspunt bestaat aanleiding indien de rechter aannemelijk acht dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd.
3.6.1. Het in 3.4 vermelde oordeel van de Rechtbank moet aldus worden begrepen dat belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat terpostbezorging van het beroepschrift heeft plaatsgevonden vóór 11 januari 2010, de datum waarop het poststempel daarop is geplaatst, en dat de Rechtbank er daarom van uit is gegaan dat het beroepschrift op die datum ter post is bezorgd. Aldus begrepen geeft het oordeel van de Rechtbank geen blijk van miskenning van de hiervoor in 3.5 geformuleerde regels. Voor het overige kan het in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel behoefde ook geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat belanghebbende heeft volstaan met de niet geadstrueerde stelling dat hij het beroepschrift op 5 januari 2010 op de post heeft gedaan.
3.6.2. Voor zover de klachten zich richten tegen het in 3.4 vermelde oordeel van de Rechtbank, falen zij daarom eveneens.
3.7. Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2011.
28 januari 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 23 april 2010, nr. AWB 10/230, op het verzet van belanghebbende tegen na te melden uitspraak van de Rechtbank betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2007 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar afgewezen.
De Rechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 23 februari 2010 (nr. AWB 10/230) het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1.1. Met dagtekening 26 november 2009 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op belanghebbendes bezwaarschrift. De bekendmaking van deze uitspraak heeft niet later dan op 26 november 2009 plaatsgevonden.
3.1.2. Uitgaande van de onder 3.1.1 vermelde feiten heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de beroepstermijn is aangevangen op 27 november 2009 en zes weken na 26 november 2009, dus op (donderdag) 7 januari 2010, is geëindigd. Voor zover de klachten zich tegen dit oordeel richten, zijn zij ongegrond.
3.2. Het beroepschrift van belanghebbende tegen de in 3.1.1 bedoelde uitspraak is per post verzonden, en is door de Rechtbank ontvangen op (dinsdag) 12 januari 2010. Het beroepschrift is derhalve ontvangen na afloop van de beroepstermijn, maar minder dan een week na het einde van die termijn. De overweging van de Rechtbank dat zij het beroepschrift later dan een week na het einde van de termijn heeft ontvangen, berust kennelijk op een vergissing.
3.3. Gelet op de datum van ontvangst van het beroepschrift heeft de Rechtbank terecht op de voet van artikel 6:9, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht onderzocht of het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn, dus uiterlijk op 7 januari 2010, ter post is bezorgd.
3.4. Dat onderzoek heeft de Rechtbank geleid tot het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit het poststempel blijkt dat het beroepschrift op (maandag) 11 januari 2010 ter post is bezorgd.
3.5. Naar aanleiding van de daartegen gerichte klacht moet het volgende worden vooropgesteld.
3.5.1. Terpostbezorging vindt plaats op het moment waarop een poststuk in de brievenbus wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het op een postvestiging wordt aangeboden (vgl. HR 29 mei 1996, nr. 30950, LJN AA1892, BNB 1996/282).
3.5.2. De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door het postvervoerbedrijf is afgestempeld, sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd (vgl. HR 17 juni 2005, nr. 40737, LJN AT7649, BNB 2005/305).
3.5.3. Dat neemt niet weg dat het datumstempel van het postvervoerbedrijf veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. Dit uitgangspunt sluit aan bij de rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters.
3.5.4. Voor afwijking van dit uitgangspunt bestaat aanleiding indien de rechter aannemelijk acht dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd.
3.6.1. Het in 3.4 vermelde oordeel van de Rechtbank moet aldus worden begrepen dat belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat terpostbezorging van het beroepschrift heeft plaatsgevonden vóór 11 januari 2010, de datum waarop het poststempel daarop is geplaatst, en dat de Rechtbank er daarom van uit is gegaan dat het beroepschrift op die datum ter post is bezorgd. Aldus begrepen geeft het oordeel van de Rechtbank geen blijk van miskenning van de hiervoor in 3.5 geformuleerde regels. Voor het overige kan het in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel behoefde ook geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat belanghebbende heeft volstaan met de niet geadstrueerde stelling dat hij het beroepschrift op 5 januari 2010 op de post heeft gedaan.
3.6.2. Voor zover de klachten zich richten tegen het in 3.4 vermelde oordeel van de Rechtbank, falen zij daarom eveneens.
3.7. Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2011.