Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2011:BO5080
2011-06-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
09/05112
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2011:BO5080 → ECLI:NL:GHARN:2009:BK5392 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2011:BO5080 → ECLI:NL:PHR:2011:BO5080
Inhoudsindicatie
Art. 8:73 Awb. Vergoeding van (im)materiële schade bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (104)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:309 Gerechtshof Den Haag 28-02-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:308 Gerechtshof Den Haag 28-02-2024
- ECLI:NL:OGHACMB:2023:182 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 27-07-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1926 Gerechtshof Den Haag 26-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:10482 Rechtbank Den Haag 19-07-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2022:5547 Rechtbank Midden-Nederland 21-12-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2635 Gerechtshof Den Haag 24-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2635 Gerechtshof Den Haag 24-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:820 Parket bij de Hoge Raad 13-09-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:7289 Rechtbank Noord-Holland 11-08-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2022:155 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 03-06-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:3016 Rechtbank Den Haag 01-04-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:3014 Rechtbank Den Haag 01-04-2022
- ECLI:NL:OGEAA:2022:38 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 22-02-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1803 Gerechtshof Den Haag 17-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6030 Rechtbank Den Haag 01-07-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:7321 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:7315 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:7322 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:2532 Raad van State 24-07-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1970 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1972 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1973 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:855 Gerechtshof Amsterdam 19-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1035 Parket bij de Hoge Raad 20-09-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:2441 Gerechtshof Amsterdam 14-06-2018
- ECLI:NL:GHARL:2017:10224 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-11-2017
- ECLI:NL:RBNHO:2017:5606 Rechtbank Noord-Holland 07-07-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:3446 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-06-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:3445 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-06-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:3447 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-06-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2017:1497 Gerechtshof Amsterdam 30-03-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2017:5597 Gerechtshof Amsterdam 21-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:81 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2016:5735 Gerechtshof Amsterdam 29-11-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1036 Parket bij de Hoge Raad 30-09-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2016:4052 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-09-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2011 Gerechtshof Den Haag 29-06-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1406 Gerechtshof Den Haag 18-05-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2016:1137 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-03-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2016:1138 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-03-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:173 Parket bij de Hoge Raad 22-03-2016
- ECLI:NL:RBNNE:2015:6183 Rechtbank Noord-Nederland 22-12-2015
- ECLI:NL:RBNNE:2015:6182 Rechtbank Noord-Nederland 22-12-2015
- ECLI:NL:RBNHO:2015:11020 Rechtbank Noord-Holland 18-12-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4543 Gerechtshof Amsterdam 03-11-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2997 Gerechtshof Den Haag 28-10-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2996 Gerechtshof Den Haag 28-10-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4302 Gerechtshof Amsterdam 15-10-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2015:11852 Rechtbank Den Haag 01-10-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2015:11851 Rechtbank Den Haag 01-10-2015
- ECLI:NL:RBNNE:2015:4670 Rechtbank Noord-Nederland 08-09-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2344 Gerechtshof Den Haag 26-08-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2345 Gerechtshof Den Haag 26-08-2015
- ECLI:NL:GHSHE:2015:2371 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-06-2015
- ECLI:NL:GHSHE:2015:1512 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-04-2015
- ECLI:NL:GHARL:2014:10244 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-12-2014
- ECLI:NL:HR:2014:3562 Hoge Raad 12-12-2014
- ECLI:NL:RBNNE:2014:5210 Rechtbank Noord-Nederland 23-10-2014
- ECLI:NL:RBNHO:2014:7766 Rechtbank Noord-Holland 22-08-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (7.869 tekens)
Nr. 09/05112
10 juni 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X Holding B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 november 2009, nr. 08/00193, betreffende een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 20 december 2001 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De Inspecteur heeft, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken de naheffingsaanslag verminderd en de boetebeschikking vernietigd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 07/2564) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. P. Garretsen, advocaat te Den Haag.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 8 november 2010 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. In het tijdvak waarop de onderhavige naheffingsaanslag ziet, exploiteerde belanghebbende een uitzendbureau.
3.1.2. De Inspecteur heeft in 2003 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt met dagtekening 5 april 2004. Op basis van de in dit rapport neergelegde bevindingen is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Het biljet door middel waarvan de naheffingsaanslag bekend is gemaakt, is gedagtekend 26 april 2004.
3.1.3. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 6 juli 2007.
3.2.1. In hoger beroep heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van schade geleden door de lange duur van de behandeling van het bezwaar.
3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de rechter ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) slechts de bevoegdheid heeft om de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende geleden schade indien het hoger beroep gegrond wordt verklaard en dat er daarom in dit geval, waarin het hoger beroep ongegrond is, geen schadevergoeding kan worden toegekend.
3.3. Voor zover de klachten zich tegen dit oordeel keren, heeft het volgende te gelden.
3.3.1. Vooropgesteld moet worden dat geschillen over een belastingaanslag, een betaling van belasting op aangifte of inhouding van belasting (hierna: belastinggeschillen) volgens vaste rechtspraak van het EHRM buiten het bereik vallen van artikel 6 van het EVRM (vgl. onder meer EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, Ferrazzini tegen Italië, NJ 2004/435, BNB 2005/222).
3.3.2. Aangezien het geschil in beroep en in hoger beroep nog slechts betrekking had op de naheffingsaanslag, kan een recht van belanghebbende op een schadevergoeding niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van de genoemde bepaling. Dit beginsel noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM (onder meer het arrest van 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi Pizzati tegen Italië, JB 2006/134). Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan de inspecteur tot vergoeding van die schade worden veroordeeld (vgl. de in de onderdelen 7.16, 7.19, 7.21 en 7.22 van de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters).
3.3.3. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet ook in belastinggeschillen aangesloten worden bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn begint bij dergelijke geschillen in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.
3.3.4. Indien bij een zodanig geschil de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
3.3.5. Het hiervoor overwogene geldt evenzeer voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen en andere entiteiten.
3.3.6. Nu het Hof met zijn in 3.2.2 weergegeven oordeel is uitgegaan van een rechtsopvatting die zich niet met het vorenoverwogene verdraagt, kan zijn uitspraak niet in stand blijven.
Verwijzing moet volgen voor beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de redelijke termijn is overschreden, en voor beantwoording van de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, dan een vergoeding voor materiële en immateriële schade moet worden toegekend.
Nu belanghebbende zich enkel heeft beklaagd over de duur van de bezwaarfase, en niet heeft gesteld dat in de gerechtelijke procedure onredelijke vertraging is opgetreden, behoeft de Minister van Veiligheid en Justitie niet met toepassing van artikel 8:26 van de Awb in het geding te worden betrokken.
3.4. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 09/05113 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 447, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1966,50, derhalve € 983,25, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011.
10 juni 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X Holding B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 november 2009, nr. 08/00193, betreffende een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 20 december 2001 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De Inspecteur heeft, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken de naheffingsaanslag verminderd en de boetebeschikking vernietigd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 07/2564) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. P. Garretsen, advocaat te Den Haag.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 8 november 2010 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. In het tijdvak waarop de onderhavige naheffingsaanslag ziet, exploiteerde belanghebbende een uitzendbureau.
3.1.2. De Inspecteur heeft in 2003 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt met dagtekening 5 april 2004. Op basis van de in dit rapport neergelegde bevindingen is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Het biljet door middel waarvan de naheffingsaanslag bekend is gemaakt, is gedagtekend 26 april 2004.
3.1.3. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 6 juli 2007.
3.2.1. In hoger beroep heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van schade geleden door de lange duur van de behandeling van het bezwaar.
3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de rechter ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) slechts de bevoegdheid heeft om de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende geleden schade indien het hoger beroep gegrond wordt verklaard en dat er daarom in dit geval, waarin het hoger beroep ongegrond is, geen schadevergoeding kan worden toegekend.
3.3. Voor zover de klachten zich tegen dit oordeel keren, heeft het volgende te gelden.
3.3.1. Vooropgesteld moet worden dat geschillen over een belastingaanslag, een betaling van belasting op aangifte of inhouding van belasting (hierna: belastinggeschillen) volgens vaste rechtspraak van het EHRM buiten het bereik vallen van artikel 6 van het EVRM (vgl. onder meer EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, Ferrazzini tegen Italië, NJ 2004/435, BNB 2005/222).
3.3.2. Aangezien het geschil in beroep en in hoger beroep nog slechts betrekking had op de naheffingsaanslag, kan een recht van belanghebbende op een schadevergoeding niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van de genoemde bepaling. Dit beginsel noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM (onder meer het arrest van 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi Pizzati tegen Italië, JB 2006/134). Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan de inspecteur tot vergoeding van die schade worden veroordeeld (vgl. de in de onderdelen 7.16, 7.19, 7.21 en 7.22 van de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters).
3.3.3. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet ook in belastinggeschillen aangesloten worden bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn begint bij dergelijke geschillen in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.
3.3.4. Indien bij een zodanig geschil de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
3.3.5. Het hiervoor overwogene geldt evenzeer voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen en andere entiteiten.
3.3.6. Nu het Hof met zijn in 3.2.2 weergegeven oordeel is uitgegaan van een rechtsopvatting die zich niet met het vorenoverwogene verdraagt, kan zijn uitspraak niet in stand blijven.
Verwijzing moet volgen voor beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de redelijke termijn is overschreden, en voor beantwoording van de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, dan een vergoeding voor materiële en immateriële schade moet worden toegekend.
Nu belanghebbende zich enkel heeft beklaagd over de duur van de bezwaarfase, en niet heeft gesteld dat in de gerechtelijke procedure onredelijke vertraging is opgetreden, behoeft de Minister van Veiligheid en Justitie niet met toepassing van artikel 8:26 van de Awb in het geding te worden betrokken.
3.4. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 09/05113 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 447, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1966,50, derhalve € 983,25, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011.