Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2010:BN6254
2010-11-05
Civiel recht
09/03728
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2010:BN6254 → ECLI:NL:PHR:2010:BN6254
Inhoudsindicatie
Cassatie. Aan een cassatiemiddel te stellen eisen (407 lid 2 Rv.); de rechtsregel dat de middelen van cassatie in de cassatiedagvaarding dienen te staan en niet voor het eerst bij pleidooi in cassatie of in een daarvoor in de plaats komende schriftelijke toelichting mogen worden aangevoerd, vindt haar rechtvaardiging in het beginsel van hoor en wederhoor dat onderdeel uitmaakt van het begrip “eerlijk proces” als bedoeld in art. 6 EVRM. (81 RO)
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (13)
- ECLI:NL:PHR:2023:821 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:544 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:457 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:808 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:256 Parket bij de Hoge Raad 18-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:235 Parket bij de Hoge Raad 11-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:77 Parket bij de Hoge Raad 28-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2020:490 Parket bij de Hoge Raad 15-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:234 Parket bij de Hoge Raad 06-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:128 Parket bij de Hoge Raad 07-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:18 Parket bij de Hoge Raad 10-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1290 Parket bij de Hoge Raad 06-12-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:311 Parket bij de Hoge Raad 22-03-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (2.228 tekens)
5 november 2010
Eerste Kamer
09/03728
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [De zuster],
2. [De moeder],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. M.L. Kleyn,
t e g e n
[De zoon],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ieder afzonderlijk ook worden aangeduid als respectievelijk de zuster, de moeder en de zoon.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 145323/HA ZA 06-1611 van de rechtbank Arnhem van 6 december 2006, 28 februari 2007, 21 november 2007 en 20 februari 2008;
b. het arrest in de zaak 200.006.427 van het gerechts-hof te Arnhem van 21 juli 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben de moeder en de zuster beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de zoon is verstek verleend.
De zaak is voor de moeder en de zuster toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de moeder en de zuster in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de zoon begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 november 2010.
Eerste Kamer
09/03728
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [De zuster],
2. [De moeder],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. M.L. Kleyn,
t e g e n
[De zoon],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ieder afzonderlijk ook worden aangeduid als respectievelijk de zuster, de moeder en de zoon.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 145323/HA ZA 06-1611 van de rechtbank Arnhem van 6 december 2006, 28 februari 2007, 21 november 2007 en 20 februari 2008;
b. het arrest in de zaak 200.006.427 van het gerechts-hof te Arnhem van 21 juli 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben de moeder en de zuster beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de zoon is verstek verleend.
De zaak is voor de moeder en de zuster toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de moeder en de zuster in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de zoon begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 november 2010.