Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2010:BM6085
2010-09-03
Civiel recht
09/01781
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2010:BM6085 → ECLI:NL:PHR:2010:BM6085
Inhoudsindicatie
Huwelijksvermogensrecht. Verrekenbeding, opgenomen in huwelijkse voorwaarden, uitgelegd op grond van Haviltexmaatstaf.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (49)
- ECLI:NL:PHR:2025:1246 Parket bij de Hoge Raad 14-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1206 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2521 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-09-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1756 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:584 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:287 Parket bij de Hoge Raad 15-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:34 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1075 Parket bij de Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:850 Parket bij de Hoge Raad 29-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:939 Parket bij de Hoge Raad 15-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:643 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:2723 Rechtbank Rotterdam 29-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:842 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:91 Parket bij de Hoge Raad 20-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:111 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:808 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3093 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:405 Parket bij de Hoge Raad 29-04-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1142 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-04-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1972 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:163 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1256 Parket bij de Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3557 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-11-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3011 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-10-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:400 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1175 Parket bij de Hoge Raad 11-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:794 Parket bij de Hoge Raad 04-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:688 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1739 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-06-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1737 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:572 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:18 Parket bij de Hoge Raad 10-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1270 Parket bij de Hoge Raad 06-12-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:768 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:556 Parket bij de Hoge Raad 24-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:498 Parket bij de Hoge Raad 10-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:472 Parket bij de Hoge Raad 03-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1189 Parket bij de Hoge Raad 26-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:164 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:185 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:42 Parket bij de Hoge Raad 03-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1322 Parket bij de Hoge Raad 23-12-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1015 Parket bij de Hoge Raad 14-10-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:929 Parket bij de Hoge Raad 16-09-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:197 Parket bij de Hoge Raad 01-04-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:160 Parket bij de Hoge Raad 25-03-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:160 Parket bij de Hoge Raad 25-03-2016
- ECLI:NL:PHR:2014:17 Parket bij de Hoge Raad 10-01-2014
- ECLI:NL:GHARL:2013:8333 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-11-2013
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.606 tekens)
3 september 2010
Eerste Kamer
09/01781
EE/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats], België,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats], België,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. N.T. Dempsey.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de (tussen)beschikking in de zaak 03/5204 / 206873 van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 september 2004;
b. de beschikking in de zaak 1130-H-04 / 03/5204 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 september 2005;
c. de tussen- en eindbeschikking in de zaak (FA RK) 03/5204 / 206873 van de rechtbank 's-Gravenhage van respectievelijk 11 juli 2005 en 11 september 2007; en
d. de beschikking in de zaak 105.012.317.01 / 1753-H-07 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 februari 2009.
Laatstgenoemde beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 4 februari 2009 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Voor de feiten die in cassatie tot uitgangspunt dienen wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.
3.2 Deze procedure betreft de uitleg en uitvoering van het periodiek verrekenbeding in art. 7 van de huwelijkse voorwaarden van partijen. Voorzover in cassatie van belang, verschillen partijen van mening over de uitleg van het begrip "winst uit onderneming" dat voorkomt in de omschrijving van het aan verrekening onderworpen overgespaarde inkomen in art. 6 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van een ruim begrip "winst uit onderneming" en dat daarom mede voor verrekening in aanmerking komen de winsten die gedurende de periode dat het huwelijk heeft geduurd door de man in de vorm van dividenden uit zijn vennootschappen zijn genoten of aan hem zouden hebben kunnen worden uitgekeerd zonder de continuïteit van de ondernemingen van de man in gevaar te brengen, alsmede de opbrengst van de door de man verkochte aandelen in Veka Best Beheer B.V.
De man betwist dat het begrip "winst uit onderneming" in de huwelijkse voorwaarden zo ruim moet worden opgevat als door de vrouw bepleit. De winst uit zijn vennootschappen en de genoemde verkoopopbrengst vallen daarbuiten en komen dan ook niet in aanmerking voor verrekening, aldus de man.
3.3 Het hof heeft in rov. 7 - 9 van de bestreden beschikking het standpunt van de man als juist aanvaard.
Het heeft - terecht - vooropgesteld dat de uitleg van de huwelijkse voorwaarden dient te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Op grond van hetgeen partijen ter zitting van het hof hebben verklaard, te weten:
dat de man ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden de bedoeling had om, in verband met de omstandigheid dat hij twee huwelijken achter de rug had, zijn vermogen te beschermen ten behoeve van zichzelf en van zijn kinderen uit die eerdere huwelijken en zijn vermogen en de vermogensstijging buiten de verrekening te houden;
- dat het verrekenbeding uitsluitend op suggestie van de notaris in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen voor het geval dat de vrouw inkomsten uit arbeid zou gaan verwerven;
- dat de vrouw op de hoogte was van de omstandigheid dat de man nog gehuwd was toen zij met hem ging samenwonen;
- dat de vrouw na voorlezing door de notaris van de huwelijkse voorwaarden aan deze heeft verklaard dat zij de inhoud daarvan begreep;
heeft het hof geoordeeld dat partijen geen ander inkomensbegrip voor ogen hadden dan is vastgelegd in art. 6 lid 2 van hun huwelijkse voorwaarden (rov. 7).
Op grond van het in rov. 8 geciteerde art. 6 lid 2 en met name de laatste zin daarin luidende "Voor de bepaling van de omvang van dit inkomen wordt voor zoveel mogelijk aangesloten aan de regels van 's-Rijksbelastingwetgeving" komt het hof in rov. 9 tot het oordeel dat voor het begrip "winst uit onderneming" dient te worden aangehaakt bij art. 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, die "destijds" - waarmee het hof bedoelt: ten tijde van het overeenkomen van de huwelijkse voorwaarden - gold. Zoals het hof terecht overweegt luidde het eerste lid van dit artikel: "Winst uit onderneming geniet hij voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven, daaronder begrepen hij die, anders dan als aandeelhouder, medegerechtigd is tot het vermogen van een onderneming". Het hof heeft vervolgens - in cassatie niet bestreden - vastgesteld dat de ondernemingen van de man - met uitzondering van de vennootschap onder firma VOF Three Bears - niet voor zijn rekening worden gedreven in de zin van de zojuist geciteerde bepaling. Daaruit concludeerde het hof dat de aan de man uitgekeerde dividenden, de overige gerealiseerde winsten en de verkoopopbrengst van de aandelen in Veka Best Beheer B.V. op grond van de huwelijkse voorwaarden niet vallen onder het begrip "winst uit onderneming" zoals in de huwelijkse voorwaarden gebruikt, en derhalve geen inkomen vormen dat tussen partijen dient te worden verrekend. In dit oordeel ligt besloten dat partijen in hun huwelijkse voorwaarden zijn afgeweken van art. 141 lid 4 BW. Anders dan onderdeel 4.2 betoogt, behoefde dat niet uitdrukkelijk te geschieden.
3.4 Uit het voorgaande blijkt dat het hof overeenkomstig de Haviltex-maatstaf de omstandigheden waaronder de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen heeft meegewogen bij zijn oordeel en dat het daaruit heeft afgeleid dat partijen voor ogen heeft gestaan hetgeen in de tekst van art. 6 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden is verwoord. Het hof heeft dus geen zuiver taalkundige uitleg aan die bepaling gegeven maar een uitleg overeenkomstig hetgeen het uit de bedoeling van partijen heeft afgeleid, te weten dat de tekst van die bepaling die bedoeling weerspiegelt. Alle klachten van het middel die berusten op het uitgangspunt dat het hof in strijd met de Haviltexmaatstaf zich heeft beperkt tot een (zuiver) taalkundige uitleg van art. 6 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden, stuiten daarop af.
3.5 Voor het overige poogt het middel in wezen de cassatierechter te winnen voor een andere uitleg van de huwelijkse voorwaarden dan die van het hof. Daarmee ziet het middel echter eraan voorbij dat de uitleg van huwelijkse voorwaarden is voorbehouden aan de feitenrechter en slechts zeer beperkt in cassatie ten toets kan komen. Hetgeen het hof overweegt getuigt niet van een miskenning van enige rechtsregel en is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt ook daarom.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 september 2010.
Eerste Kamer
09/01781
EE/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats], België,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats], België,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. N.T. Dempsey.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de (tussen)beschikking in de zaak 03/5204 / 206873 van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 september 2004;
b. de beschikking in de zaak 1130-H-04 / 03/5204 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 september 2005;
c. de tussen- en eindbeschikking in de zaak (FA RK) 03/5204 / 206873 van de rechtbank 's-Gravenhage van respectievelijk 11 juli 2005 en 11 september 2007; en
d. de beschikking in de zaak 105.012.317.01 / 1753-H-07 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 februari 2009.
Laatstgenoemde beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 4 februari 2009 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Voor de feiten die in cassatie tot uitgangspunt dienen wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.
3.2 Deze procedure betreft de uitleg en uitvoering van het periodiek verrekenbeding in art. 7 van de huwelijkse voorwaarden van partijen. Voorzover in cassatie van belang, verschillen partijen van mening over de uitleg van het begrip "winst uit onderneming" dat voorkomt in de omschrijving van het aan verrekening onderworpen overgespaarde inkomen in art. 6 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van een ruim begrip "winst uit onderneming" en dat daarom mede voor verrekening in aanmerking komen de winsten die gedurende de periode dat het huwelijk heeft geduurd door de man in de vorm van dividenden uit zijn vennootschappen zijn genoten of aan hem zouden hebben kunnen worden uitgekeerd zonder de continuïteit van de ondernemingen van de man in gevaar te brengen, alsmede de opbrengst van de door de man verkochte aandelen in Veka Best Beheer B.V.
De man betwist dat het begrip "winst uit onderneming" in de huwelijkse voorwaarden zo ruim moet worden opgevat als door de vrouw bepleit. De winst uit zijn vennootschappen en de genoemde verkoopopbrengst vallen daarbuiten en komen dan ook niet in aanmerking voor verrekening, aldus de man.
3.3 Het hof heeft in rov. 7 - 9 van de bestreden beschikking het standpunt van de man als juist aanvaard.
Het heeft - terecht - vooropgesteld dat de uitleg van de huwelijkse voorwaarden dient te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Op grond van hetgeen partijen ter zitting van het hof hebben verklaard, te weten:
dat de man ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden de bedoeling had om, in verband met de omstandigheid dat hij twee huwelijken achter de rug had, zijn vermogen te beschermen ten behoeve van zichzelf en van zijn kinderen uit die eerdere huwelijken en zijn vermogen en de vermogensstijging buiten de verrekening te houden;
- dat het verrekenbeding uitsluitend op suggestie van de notaris in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen voor het geval dat de vrouw inkomsten uit arbeid zou gaan verwerven;
- dat de vrouw op de hoogte was van de omstandigheid dat de man nog gehuwd was toen zij met hem ging samenwonen;
- dat de vrouw na voorlezing door de notaris van de huwelijkse voorwaarden aan deze heeft verklaard dat zij de inhoud daarvan begreep;
heeft het hof geoordeeld dat partijen geen ander inkomensbegrip voor ogen hadden dan is vastgelegd in art. 6 lid 2 van hun huwelijkse voorwaarden (rov. 7).
Op grond van het in rov. 8 geciteerde art. 6 lid 2 en met name de laatste zin daarin luidende "Voor de bepaling van de omvang van dit inkomen wordt voor zoveel mogelijk aangesloten aan de regels van 's-Rijksbelastingwetgeving" komt het hof in rov. 9 tot het oordeel dat voor het begrip "winst uit onderneming" dient te worden aangehaakt bij art. 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, die "destijds" - waarmee het hof bedoelt: ten tijde van het overeenkomen van de huwelijkse voorwaarden - gold. Zoals het hof terecht overweegt luidde het eerste lid van dit artikel: "Winst uit onderneming geniet hij voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven, daaronder begrepen hij die, anders dan als aandeelhouder, medegerechtigd is tot het vermogen van een onderneming". Het hof heeft vervolgens - in cassatie niet bestreden - vastgesteld dat de ondernemingen van de man - met uitzondering van de vennootschap onder firma VOF Three Bears - niet voor zijn rekening worden gedreven in de zin van de zojuist geciteerde bepaling. Daaruit concludeerde het hof dat de aan de man uitgekeerde dividenden, de overige gerealiseerde winsten en de verkoopopbrengst van de aandelen in Veka Best Beheer B.V. op grond van de huwelijkse voorwaarden niet vallen onder het begrip "winst uit onderneming" zoals in de huwelijkse voorwaarden gebruikt, en derhalve geen inkomen vormen dat tussen partijen dient te worden verrekend. In dit oordeel ligt besloten dat partijen in hun huwelijkse voorwaarden zijn afgeweken van art. 141 lid 4 BW. Anders dan onderdeel 4.2 betoogt, behoefde dat niet uitdrukkelijk te geschieden.
3.4 Uit het voorgaande blijkt dat het hof overeenkomstig de Haviltex-maatstaf de omstandigheden waaronder de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen heeft meegewogen bij zijn oordeel en dat het daaruit heeft afgeleid dat partijen voor ogen heeft gestaan hetgeen in de tekst van art. 6 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden is verwoord. Het hof heeft dus geen zuiver taalkundige uitleg aan die bepaling gegeven maar een uitleg overeenkomstig hetgeen het uit de bedoeling van partijen heeft afgeleid, te weten dat de tekst van die bepaling die bedoeling weerspiegelt. Alle klachten van het middel die berusten op het uitgangspunt dat het hof in strijd met de Haviltexmaatstaf zich heeft beperkt tot een (zuiver) taalkundige uitleg van art. 6 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden, stuiten daarop af.
3.5 Voor het overige poogt het middel in wezen de cassatierechter te winnen voor een andere uitleg van de huwelijkse voorwaarden dan die van het hof. Daarmee ziet het middel echter eraan voorbij dat de uitleg van huwelijkse voorwaarden is voorbehouden aan de feitenrechter en slechts zeer beperkt in cassatie ten toets kan komen. Hetgeen het hof overweegt getuigt niet van een miskenning van enige rechtsregel en is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt ook daarom.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 september 2010.