Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2008:BD4375
2008-09-26
Civiel recht
08/01827
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2008:BD4375 → ECLI:NL:PHR:2008:BD4375
Inhoudsindicatie
Bopz; voortzetting van de inbewaringstelling; onderzoek door een niet-behandelend psychiater; aan verklaring te stellen eisen; art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM. Cassatie; ontvankelijkheid, rechtsmiddelenverbod ex art 29 lid 5 Wet Bopz, niet-inachtneming van essentiële waarborg voor grondrecht op vrijheid als doorbrekingsgrond.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (33)
- ECLI:NL:PHR:2023:703 Parket bij de Hoge Raad 28-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:703 Parket bij de Hoge Raad 28-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:310 Parket bij de Hoge Raad 17-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2021:1001 Parket bij de Hoge Raad 22-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1036 Parket bij de Hoge Raad 30-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:839 Parket bij de Hoge Raad 23-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:539 Parket bij de Hoge Raad 27-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:478 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:429 Parket bij de Hoge Raad 24-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:356 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:356 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:279 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2018:1474 Parket bij de Hoge Raad 04-12-2018
- ECLI:NL:HR:2018:2104 Hoge Raad 16-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1293 Parket bij de Hoge Raad 21-09-2018
- ECLI:NL:HR:2018:684 Hoge Raad 04-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:300 Parket bij de Hoge Raad 16-03-2018
- ECLI:NL:HR:2017:33 Hoge Raad 13-01-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1373 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:416 Parket bij de Hoge Raad 01-04-2016
- ECLI:NL:PHR:2015:1719 Parket bij de Hoge Raad 31-07-2015
- ECLI:NL:HR:2015:1753 Hoge Raad 26-06-2015
- ECLI:NL:HR:2015:1753 Hoge Raad 26-06-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:979 Parket bij de Hoge Raad 01-05-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:979 Parket bij de Hoge Raad 01-05-2015
- ECLI:NL:GHARL:2015:2930 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2015:479 Gerechtshof Amsterdam 17-02-2015
- ECLI:NL:HR:2014:3663 Hoge Raad 19-12-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2320 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2014
- ECLI:NL:HR:2014:2985 Hoge Raad 17-10-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1738 Parket bij de Hoge Raad 05-09-2014
- ECLI:NL:RBLIM:2014:7850 Rechtbank Limburg 29-08-2014
- ECLI:NL:RBLIM:2013:9370 Rechtbank Limburg 26-11-2013
Volledige tekst
Volledige tekst (6.082 tekens)
26 september 2008
Eerste Kamer
08/01827
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. O.C. Bondam,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT 'S-GRAVENHAGE,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Bij beschikking van de burgemeester van Delft van 7 april 2008 is ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling gegeven als bedoeld in art. 20 Wet Bopz.
De officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft op 8 april 2008 onder overlegging van voornoemde beschikking van de burgemeester en een geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 21 Wet Bopz, een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene.
Nadat de rechtbank betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en de (waarnemend) behandelend arts op 10 april 2008 had gehoord, heeft zij bij beschikking van diezelfde datum de verzochte machtiging verleend.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in zijn cassatieberoep.
De advocaat van de officier van justitie heeft bij brief van 12 juni 2008 op die conclusie gereageerd.
3. Ontvankelijkheid van het beroep
Het beroep is gericht tegen een beschikking op een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Bopz. Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Bopz staat tegen deze beschikking geen gewoon rechtsmiddel open.
Het middel bevat de klacht - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank op het verzoek heeft beslist zonder te beschikken over een geneeskundige verklaring die voldoet aan de eis dat zij is opgesteld door een specialist die betrokkene daartoe persoonlijk heeft onderzocht. Aldus klaagt het middel over het niet inachtnemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald (vgl. HR 21 februari 2003, nr. R03/002, NJ 2003, 484). Die klacht levert een grond op voor doorbreking van het genoemde rechtsmiddelenverbod, zodat cassatieberoep voor betrokkene openstond.
De geldigheidsduur van de door de rechtbank op 10 april 2008 verleende machtiging is echter ingevolge art. 30 Wet Bopz op 1 mei 2008 verstreken, zodat betrokkene geen belang meer heeft bij zijn beroep en om deze reden daarin niet kan worden ontvangen.
4. Verdere overwegingen
4.1 De Hoge Raad ziet nochtans in verband met de in het middel aan de orde gestelde rechtsvraag en de daaromtrent in de rechtspraak en de literatuur bestaande onzekerheid aanleiding het navolgende te overwegen.
4.2 Het middel klaagt, als gezegd, dat de rechtbank op het verzoek heeft beslist zonder te beschikken over een geneeskundige verklaring die voldoet aan de eis dat zij is opgesteld door een specialist die betrokkene daartoe persoonlijk heeft onderzocht. Het gaat ervan uit dat de in art. 27 lid 2 in verbinding met art. 21 Wet Bopz bedoelde geneeskundige verklaring die moet worden overgelegd bij een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Bopz, moet zijn opgemaakt door een niet-behandelend psychiater, en dat een verklaring van een arts, niet zijnde een psychiater, ontoereikend is.
4.3 Hieromtrent wordt het volgende overwogen. De leden 1 en 2 van art. 21 laten de mogelijkheid open dat de burgemeester een inbewaringstelling gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, en wel indien het niet mogelijk is dat een psychiater de verklaring verstrekt. Met inachtneming van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot vrijheidsontneming van als geestesziek aangemerkte personen (art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de door dat hof gestelde eis van "objective medical expertise" aldus moet worden verstaan dat die - behoudens in noodsituaties - een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de betrokkene door een specialist, dat wil zeggen een psychiater als bedoeld in art. 1 lid 1, aanhef en onder j, Wet Bopz, veronderstelt. In een geval waarin de inbewaringstelling gelast is op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, brengt de bepaling van art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM dan ook mee dat de rechter, onverminderd het bepaalde in art. 29 lid 2 Wet Bopz, een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts mag verlenen na te hebben kennisgenomen van een schriftelijke - dan wel ter zitting mondeling afgelegde en in het proces-verbaal van de zitting te vermelden - verklaring van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht. Het middel is in zoverre gegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 september 2008.
Eerste Kamer
08/01827
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. O.C. Bondam,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT 'S-GRAVENHAGE,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Bij beschikking van de burgemeester van Delft van 7 april 2008 is ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling gegeven als bedoeld in art. 20 Wet Bopz.
De officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft op 8 april 2008 onder overlegging van voornoemde beschikking van de burgemeester en een geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 21 Wet Bopz, een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene.
Nadat de rechtbank betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en de (waarnemend) behandelend arts op 10 april 2008 had gehoord, heeft zij bij beschikking van diezelfde datum de verzochte machtiging verleend.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in zijn cassatieberoep.
De advocaat van de officier van justitie heeft bij brief van 12 juni 2008 op die conclusie gereageerd.
3. Ontvankelijkheid van het beroep
Het beroep is gericht tegen een beschikking op een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Bopz. Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Bopz staat tegen deze beschikking geen gewoon rechtsmiddel open.
Het middel bevat de klacht - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank op het verzoek heeft beslist zonder te beschikken over een geneeskundige verklaring die voldoet aan de eis dat zij is opgesteld door een specialist die betrokkene daartoe persoonlijk heeft onderzocht. Aldus klaagt het middel over het niet inachtnemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald (vgl. HR 21 februari 2003, nr. R03/002, NJ 2003, 484). Die klacht levert een grond op voor doorbreking van het genoemde rechtsmiddelenverbod, zodat cassatieberoep voor betrokkene openstond.
De geldigheidsduur van de door de rechtbank op 10 april 2008 verleende machtiging is echter ingevolge art. 30 Wet Bopz op 1 mei 2008 verstreken, zodat betrokkene geen belang meer heeft bij zijn beroep en om deze reden daarin niet kan worden ontvangen.
4. Verdere overwegingen
4.1 De Hoge Raad ziet nochtans in verband met de in het middel aan de orde gestelde rechtsvraag en de daaromtrent in de rechtspraak en de literatuur bestaande onzekerheid aanleiding het navolgende te overwegen.
4.2 Het middel klaagt, als gezegd, dat de rechtbank op het verzoek heeft beslist zonder te beschikken over een geneeskundige verklaring die voldoet aan de eis dat zij is opgesteld door een specialist die betrokkene daartoe persoonlijk heeft onderzocht. Het gaat ervan uit dat de in art. 27 lid 2 in verbinding met art. 21 Wet Bopz bedoelde geneeskundige verklaring die moet worden overgelegd bij een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Bopz, moet zijn opgemaakt door een niet-behandelend psychiater, en dat een verklaring van een arts, niet zijnde een psychiater, ontoereikend is.
4.3 Hieromtrent wordt het volgende overwogen. De leden 1 en 2 van art. 21 laten de mogelijkheid open dat de burgemeester een inbewaringstelling gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, en wel indien het niet mogelijk is dat een psychiater de verklaring verstrekt. Met inachtneming van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot vrijheidsontneming van als geestesziek aangemerkte personen (art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de door dat hof gestelde eis van "objective medical expertise" aldus moet worden verstaan dat die - behoudens in noodsituaties - een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de betrokkene door een specialist, dat wil zeggen een psychiater als bedoeld in art. 1 lid 1, aanhef en onder j, Wet Bopz, veronderstelt. In een geval waarin de inbewaringstelling gelast is op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, brengt de bepaling van art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM dan ook mee dat de rechter, onverminderd het bepaalde in art. 29 lid 2 Wet Bopz, een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts mag verlenen na te hebben kennisgenomen van een schriftelijke - dan wel ter zitting mondeling afgelegde en in het proces-verbaal van de zitting te vermelden - verklaring van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht. Het middel is in zoverre gegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 september 2008.