Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2008:BC9548
2008-04-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
07/10035
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2008:BC9548 → ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9924 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Uitgaven ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder, aard van uitgaven, geen overschrijding van grenzen aan rechterlijke taak.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (21)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3026 Rechtbank Gelderland 17-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:430 Gerechtshof Den Haag 10-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:430 Gerechtshof Den Haag 10-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:430 Gerechtshof Den Haag 10-03-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2025:7610 Rechtbank Gelderland 10-09-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:7096 Rechtbank Gelderland 20-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:840 Parket bij de Hoge Raad 08-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:840 Parket bij de Hoge Raad 08-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16818 Rechtbank Den Haag 08-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1790 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1790 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-03-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2022:3084 Rechtbank Gelderland 20-06-2022
- ECLI:NL:OGHACMB:2022:34 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 14-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:146 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-01-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2020:169 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 06-07-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2017:6728 Rechtbank Gelderland 27-12-2017
- ECLI:NL:RBNHO:2017:8521 Rechtbank Noord-Holland 20-10-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:328 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-01-2017
- ECLI:NL:GHARL:2015:2295 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-03-2015
- ECLI:NL:GHARL:2014:10021 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-12-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1797 Parket bij de Hoge Raad 10-09-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (4.231 tekens)
Nr. 07/10035
18 april 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 mei 2007, nrs. 04/04578, 04/04857 en 04/04166, betreffende aanslagen in de vennootschapsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1997, 1998 en 1999 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd. De aanslagen voor de jaren 1997 en 1998 zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd. De aanslag voor het jaar 1999 is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Het Hof heeft de tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Voor zover het beroep in cassatie van belanghebbende betrekking heeft op het jaar 1997, missen de klachten feitelijke grondslag, nu voor dat jaar de correctie waarop de klachten zien blijkens rechtsoverweging 5.2.1 van de uitspraak van het Hof is komen te vervallen en het Hof de aanslag dienovereenkomstig heeft verminderd. De klachten kunnen derhalve in zoverre niet tot cassatie leiden.
3.2. Voor het overige dient bij de beoordeling van de klachten het volgende te worden vooropgesteld. Door een vennootschap gedane uitgaven ontberen slechts dan een zakelijk karakter - en kunnen derhalve niet ten laste van de winst worden gebracht - indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s). Indien in geschil is of de ondernemer een bepaalde uitgave heeft gedaan met het oogmerk daarmee de zakelijke belangen van de onderneming te dienen, dan wel (tevens) met het oogmerk van bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s), overschrijdt de rechter de grenzen van zijn taak niet door de werkelijke aard van de uitgaven te beoordelen (HR 14 juni 2002, nr. 36453, BNB 2002/290).
3.3. Het Hof heeft met betrekking tot de jaren 1998 en 1999 geoordeeld dat de Inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitgaven voor auto's - met uitzondering van de uitgaven voor auto's die in aftrek zijn aanvaard - uitsluitend zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van A in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van belanghebbende. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat A een liefhebber is van exclusieve auto's, dat (uitsluitend) hij besliste omtrent de aan- en verkoop van de auto's en dat die auto's (uitsluitend) hem ter beschikking stonden. Voorts heeft het Hof daarbij in aanmerking genomen de omvang van de totale uitgaven, het aantal auto's waarop die uitgaven betrekking hebben, alsmede het feit dat het om zeer luxe en dure auto's gaat. Dit oordeel, dat 's Hofs beslissing aangaande de uitgaven voor auto's zelfstandig draagt, geeft in het licht van het hiervoor in 3.2 overwogene geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof heeft met dit oordeel evenmin de grenzen van zijn taak overschreden. De klachten falen derhalve ook voor het overige.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2008.
18 april 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 mei 2007, nrs. 04/04578, 04/04857 en 04/04166, betreffende aanslagen in de vennootschapsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1997, 1998 en 1999 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd. De aanslagen voor de jaren 1997 en 1998 zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd. De aanslag voor het jaar 1999 is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Het Hof heeft de tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Voor zover het beroep in cassatie van belanghebbende betrekking heeft op het jaar 1997, missen de klachten feitelijke grondslag, nu voor dat jaar de correctie waarop de klachten zien blijkens rechtsoverweging 5.2.1 van de uitspraak van het Hof is komen te vervallen en het Hof de aanslag dienovereenkomstig heeft verminderd. De klachten kunnen derhalve in zoverre niet tot cassatie leiden.
3.2. Voor het overige dient bij de beoordeling van de klachten het volgende te worden vooropgesteld. Door een vennootschap gedane uitgaven ontberen slechts dan een zakelijk karakter - en kunnen derhalve niet ten laste van de winst worden gebracht - indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s). Indien in geschil is of de ondernemer een bepaalde uitgave heeft gedaan met het oogmerk daarmee de zakelijke belangen van de onderneming te dienen, dan wel (tevens) met het oogmerk van bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s), overschrijdt de rechter de grenzen van zijn taak niet door de werkelijke aard van de uitgaven te beoordelen (HR 14 juni 2002, nr. 36453, BNB 2002/290).
3.3. Het Hof heeft met betrekking tot de jaren 1998 en 1999 geoordeeld dat de Inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitgaven voor auto's - met uitzondering van de uitgaven voor auto's die in aftrek zijn aanvaard - uitsluitend zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van A in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van belanghebbende. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat A een liefhebber is van exclusieve auto's, dat (uitsluitend) hij besliste omtrent de aan- en verkoop van de auto's en dat die auto's (uitsluitend) hem ter beschikking stonden. Voorts heeft het Hof daarbij in aanmerking genomen de omvang van de totale uitgaven, het aantal auto's waarop die uitgaven betrekking hebben, alsmede het feit dat het om zeer luxe en dure auto's gaat. Dit oordeel, dat 's Hofs beslissing aangaande de uitgaven voor auto's zelfstandig draagt, geeft in het licht van het hiervoor in 3.2 overwogene geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof heeft met dit oordeel evenmin de grenzen van zijn taak overschreden. De klachten falen derhalve ook voor het overige.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2008.