Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2008:BC4198
2008-03-25
Strafrecht
00139/07
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2008:BC4198 → ECLI:NL:PHR:2008:BC4198
Inhoudsindicatie
Termijnoverschrijding cassatieberoep. Appèl is ingesteld door de gemachtigde van verdachte en aan deze is aanstonds de dagvaarding in appèl uitgereikt. Nu die uitreiking ex art. 408a i.v.m. art. 450.2 (oud) en art. 588.3.b.Sv geldt als betekening in persoon, had verdachte ex art. 432.1.a. Sv uiterlijk binnen 14 dgn na ’s Hofs einduitspraak cassatie moeten instellen. Cassatie is na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn ingesteld. Hetgeen in de cassatieschriftuur is aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakt. HR verklaart verdachte derhalve niet-ontvankelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:PHR:2022:1111 Parket bij de Hoge Raad 13-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1219 Parket bij de Hoge Raad 21-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2015:1898 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (2.204 tekens)
25 maart 2008
Strafkamer
nr. 00139/07
KM/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 juni 2006, nummer 22/007457-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Het Veer" te Amsterdam.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Blijkens de daarvan opgemaakte akten is het hoger beroep ingesteld door mr. C.J.M. van den Brûle, advocaat te 's-Gravenhage en is aan deze - als gemachtigde - aanstonds de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt. Nu die uitreiking ingevolge art. 408a in verbinding met het hier toepasselijke art. 450, tweede lid, (oud) en art. 588, derde lid aanhef en onder b, Sv geldt als betekening in persoon, had de verdachte ingevolge art. 432, eerste lid aanhef en onder a, Sv uiterlijk binnen veertien dagen na de einduitspraak van het Hof van 22 juni 2006 cassatie moeten instellen.
2.2. Het beroep in cassatie is eerst op 10 november 2006 en derhalve na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn ingesteld. Hetgeen in de cassatieschriftuur is aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakt. De verdachte kan derhalve niet worden ontvangen in het beroep.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 25 maart 2008.
Strafkamer
nr. 00139/07
KM/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 juni 2006, nummer 22/007457-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Het Veer" te Amsterdam.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Blijkens de daarvan opgemaakte akten is het hoger beroep ingesteld door mr. C.J.M. van den Brûle, advocaat te 's-Gravenhage en is aan deze - als gemachtigde - aanstonds de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt. Nu die uitreiking ingevolge art. 408a in verbinding met het hier toepasselijke art. 450, tweede lid, (oud) en art. 588, derde lid aanhef en onder b, Sv geldt als betekening in persoon, had de verdachte ingevolge art. 432, eerste lid aanhef en onder a, Sv uiterlijk binnen veertien dagen na de einduitspraak van het Hof van 22 juni 2006 cassatie moeten instellen.
2.2. Het beroep in cassatie is eerst op 10 november 2006 en derhalve na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn ingesteld. Hetgeen in de cassatieschriftuur is aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakt. De verdachte kan derhalve niet worden ontvangen in het beroep.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 25 maart 2008.