Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2008:BC2913
2008-02-05
Strafrecht
03153/06 P
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2008:BC2913 → ECLI:NL:PHR:2008:BC2913
Inhoudsindicatie
Profijtontneming en art. 359.2 Sv. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AB3200 over de motiveringsverplichting t.a.v een verweer over aftrekposten. Deze motiveringsverplichting moet thans geacht worden te berusten op art. 359.2 Sv, dat ex art. 511e Sv van overeenkomstige toepassing is op de behandeling van een ontnemingsvordering. ’s Hofs oordeel dat hetgeen de raadsman van betrokkene t.t.z. heeft verklaard geen onderbouwd standpunt i.d.z.v. art. 359.2 Sv is, is onjuist, noch onbegrijpelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (52)
- ECLI:NL:PHR:2026:804 Parket bij de Hoge Raad 08-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:666 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:283 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:116 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:926 Parket bij de Hoge Raad 02-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:926 Parket bij de Hoge Raad 02-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1421 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1420 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1094 Parket bij de Hoge Raad 22-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1094 Parket bij de Hoge Raad 22-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2022:1203 Parket bij de Hoge Raad 20-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1248 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1248 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:939 Parket bij de Hoge Raad 11-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:675 Parket bij de Hoge Raad 05-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:607 Parket bij de Hoge Raad 10-05-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:325 Parket bij de Hoge Raad 05-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1071 Parket bij de Hoge Raad 16-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:882 Parket bij de Hoge Raad 29-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:862 Parket bij de Hoge Raad 29-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1046 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:902 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:726 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:721 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:728 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:903 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1171 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1171 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2019
- ECLI:NL:HR:2019:1478 Hoge Raad 01-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:738 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:738 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:129 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:908 Parket bij de Hoge Raad 28-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:71 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1279 Parket bij de Hoge Raad 03-10-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:319 Parket bij de Hoge Raad 14-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:296 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1144 Parket bij de Hoge Raad 20-09-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1131 Parket bij de Hoge Raad 20-09-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:302 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:363 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:363 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:397 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:398 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:187 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2016
- ECLI:NL:PHR:2015:2240 Parket bij de Hoge Raad 15-09-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:1887 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:2024 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:2023 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:1750 Parket bij de Hoge Raad 26-08-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1780 Parket bij de Hoge Raad 24-06-2014
- ECLI:NL:PHR:2013:2409 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2013
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.516 tekens)
5 februari 2008
Strafkamer
nr. 03153/06 P
SM/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 april 2006, nummer 20/000292-05, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Breda van 7 december 2004 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.410,-.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, met terug- of verwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof - in strijd met de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv - heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van een ter terechtzitting in hoger beroep namens de betrokkene onderbouwd uitdrukkelijk standpunt.
3.2. Blijkens de toelichting op het middel wordt gedoeld op het betoog van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2006, voor zover inhoudende:
"Anders dan de advocaat-generaal, ben ik van mening dat de aanschafkosten van het wapen wel in mindering moeten worden gebracht op de opbrengst van de overvallen. Ook in fiscalibus mogen die kosten worden afgetrokken. (...)"
3.3. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Indien evenwel namens de veroordeelde gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven (vgl. HR 30 oktober 2001, LJN AB3200, NJ 2002, 124).
3.4. Deze motiveringsverplichting moet thans geacht worden te berusten op art. 359, tweede lid, Sv, welke bepaling ingevolge art. 511e Sv van overeenkomstige toepassing is op de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3.5. Het Hof heeft hetgeen de raadsman van de betrokkene ter terechtzitting heeft verklaard kennelijk niet opgevat als een onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.6. Het middel faalt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 5 februari 2008.
Mr. De Hullu is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Strafkamer
nr. 03153/06 P
SM/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 april 2006, nummer 20/000292-05, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Breda van 7 december 2004 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.410,-.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, met terug- of verwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof - in strijd met de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv - heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van een ter terechtzitting in hoger beroep namens de betrokkene onderbouwd uitdrukkelijk standpunt.
3.2. Blijkens de toelichting op het middel wordt gedoeld op het betoog van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2006, voor zover inhoudende:
"Anders dan de advocaat-generaal, ben ik van mening dat de aanschafkosten van het wapen wel in mindering moeten worden gebracht op de opbrengst van de overvallen. Ook in fiscalibus mogen die kosten worden afgetrokken. (...)"
3.3. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Indien evenwel namens de veroordeelde gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven (vgl. HR 30 oktober 2001, LJN AB3200, NJ 2002, 124).
3.4. Deze motiveringsverplichting moet thans geacht worden te berusten op art. 359, tweede lid, Sv, welke bepaling ingevolge art. 511e Sv van overeenkomstige toepassing is op de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3.5. Het Hof heeft hetgeen de raadsman van de betrokkene ter terechtzitting heeft verklaard kennelijk niet opgevat als een onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.6. Het middel faalt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 5 februari 2008.
Mr. De Hullu is buiten staat dit arrest te ondertekenen.