Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2008:BC1256
2008-01-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
R07/020HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2008:BC1256 → ECLI:NL:PHR:2008:BC1256
Inhoudsindicatie
Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk. Procesrecht; gevolgen verlies hoedanigheid procureur; exhibitieplicht (81 RO).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:PHR:2020:992 Parket bij de Hoge Raad 23-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:992 Parket bij de Hoge Raad 23-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:561 Parket bij de Hoge Raad 24-05-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (3.453 tekens)
25 januari 2008
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/020HR
MK/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. G.S.A.J. Koot-Kuis.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 11 december 2001 ter griffie van de rechtbank te Breda ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd en voorzover in cassatie van belang, echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de verdeling van de echtelijke woning vast te stellen, met nevenvorderingen.
De man heeft een verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek ingediend.
De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 18 april 2002 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden. Bij eindbeschikking van 7 oktober 2003 heeft de rechtbank, voorzover in cassatie van belang, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen vastgesteld op de wijze zoals in de beschikking onder rov. 3.6 is vermeld, met de bepaling dat de man ter zake van overbedeling van hem aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 52.184,72.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De vrouw heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Na tussenbeschikkingen van 27 mei 2004, 18 januari 2005 en 4 mei 2006 heeft het hof bij eindbeschikking van 2 november 2006 de beschikking van de rechtbank van 7 oktober 2003 bekrachtigd, voorzover daarbij de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen is vastgesteld, deze beschikking vernietigd, voorzover daarbij is bepaald dat de man ter zake van overbedeling van hem aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 52.184,72, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bepaald dat de man wegens overbedeling aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 43.241,63, alsmede bepaald - in aanvulling op de beschikking van 7 oktober 2003 - dat de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde polis van levensverzekering aan de man wordt toebedeeld.
De tussenbeschikkingen en eindbeschikking van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de tussenbeschikkingen en eindbeschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 januari 2008.
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/020HR
MK/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. G.S.A.J. Koot-Kuis.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 11 december 2001 ter griffie van de rechtbank te Breda ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd en voorzover in cassatie van belang, echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de verdeling van de echtelijke woning vast te stellen, met nevenvorderingen.
De man heeft een verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek ingediend.
De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 18 april 2002 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden. Bij eindbeschikking van 7 oktober 2003 heeft de rechtbank, voorzover in cassatie van belang, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen vastgesteld op de wijze zoals in de beschikking onder rov. 3.6 is vermeld, met de bepaling dat de man ter zake van overbedeling van hem aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 52.184,72.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De vrouw heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Na tussenbeschikkingen van 27 mei 2004, 18 januari 2005 en 4 mei 2006 heeft het hof bij eindbeschikking van 2 november 2006 de beschikking van de rechtbank van 7 oktober 2003 bekrachtigd, voorzover daarbij de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen is vastgesteld, deze beschikking vernietigd, voorzover daarbij is bepaald dat de man ter zake van overbedeling van hem aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 52.184,72, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bepaald dat de man wegens overbedeling aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 43.241,63, alsmede bepaald - in aanvulling op de beschikking van 7 oktober 2003 - dat de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde polis van levensverzekering aan de man wordt toebedeeld.
De tussenbeschikkingen en eindbeschikking van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de tussenbeschikkingen en eindbeschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 januari 2008.