Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2007:AZ8783
2007-04-24
Strafrecht
01210/06
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2007:AZ8783 → ECLI:NL:PHR:2007:AZ8783
Inhoudsindicatie
De opvatting dat het opzet ook op het niet naleven van de in de bewezenverklaringen bedoelde wettelijke verplichtingen (in de ordeningswetgeving) dient te zijn gericht, is onjuist (HR NJ 1952, 314). De HR ziet (anders dan de AG in zijn conclusie) geen aanleiding voor een verandering van zijn rechtspraak op dit punt.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (42)
- ECLI:NL:PHR:2026:288 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:288 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:510 Parket bij de Hoge Raad 18-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:395 Parket bij de Hoge Raad 11-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2023:1168 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1218 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2023
- ECLI:NL:HR:2023:2 Hoge Raad 10-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2021:922 Parket bij de Hoge Raad 05-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:495 Parket bij de Hoge Raad 30-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:725 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:404 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:53 Parket bij de Hoge Raad 28-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:53 Parket bij de Hoge Raad 28-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:842 Parket bij de Hoge Raad 24-09-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:842 Parket bij de Hoge Raad 24-09-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1019 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1015 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2018:9877 Rechtbank Amsterdam 07-12-2018
- ECLI:NL:OGEAM:2018:120 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 07-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:668 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:668 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:384 Parket bij de Hoge Raad 24-04-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:385 Parket bij de Hoge Raad 24-04-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:561 Parket bij de Hoge Raad 10-04-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:506 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1339 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1338 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:1116 Rechtbank Amsterdam 28-02-2017
- ECLI:NL:RBMNE:2017:332 Rechtbank Midden-Nederland 26-01-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2016:11828 Rechtbank Den Haag 28-10-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:967 Parket bij de Hoge Raad 11-10-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2016:13678 Rechtbank Den Haag 11-10-2016
- ECLI:NL:RBROT:2016:5144 Rechtbank Rotterdam 08-06-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:628 Parket bij de Hoge Raad 19-04-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:586 Gerechtshof Den Haag 08-03-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2015:12281 Rechtbank Den Haag 14-10-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2015:10639 Rechtbank Den Haag 01-07-2015
- ECLI:NL:RBROT:2015:2462 Rechtbank Rotterdam 09-04-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:2838 Parket bij de Hoge Raad 09-12-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:254 Parket bij de Hoge Raad 11-02-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:215 Parket bij de Hoge Raad 28-01-2014
- ECLI:NL:PHR:2013:2085 Parket bij de Hoge Raad 29-10-2013
Volledige tekst
Volledige tekst (5.307 tekens)
24 april 2007
Strafkamer
nr. 01210/06
DV/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 12 oktober 2005, nummer 21/006952-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Almelo van 22 november 2004 - de verdachte vrijgesproken van het hem onder 3 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "overtreding van artikel 58, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd", 2."overtreding van artikel 91 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd", 4. "ingevolge de Belastingwet verplicht zijnde tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, en opzettelijk een zodanige administratie niet voeren, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven" en 5. "opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Waling, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het in de bewezenverklaringen onder 1, 2 en 4 opgenomen opzet niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
3.2. Ten laste van de verdachte onder 1, 2 en 4 bewezen verklaard:
"1. hij, als werkgever, in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2003 in Nederland telkens opzettelijk niet de aanvang van werkzaamheden door een verzekerde in de zin van artikel 1 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen heeft medegedeeld aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam.
2. hij, als werkgever, als bedoeld in artikel 1 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in de periode van 1 december 1999 tot en met 31 december 2001 in Nederland telkens opzettelijk niet de aanvang van werkzaamheden door een verzekerde in de zin van genoemd artikel 1, heeft medegedeeld aan de Uitvoeringsinstelling, die ten aanzien van hem de in artikel 41 van genoemde wet bedoelde werkzaamheden verrichtte, te weten de SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering NV.
4. hij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2003 in Nederland als administratieplichtige, als bedoeld in artikel 52 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en als inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 en aldus als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie, te weten een administratie welke voldeed aan het gestelde in het eerste lid van genoemd artikel 52 en een loonadministratie, welke voldeed aan het bij of krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde, niet heeft gevoerd, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting wordt geheven."
3.3. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat het opzet ook op het niet naleven van de in de bewezenverklaringen bedoelde wettelijke verplichtingen dient te zijn gericht. Die opvatting is echter onjuist (vgl. HR 18 maart 1952, NJ 1952, 314). De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een verandering van zijn rechtspraak op dit punt.
3.4. Het middel faalt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 april 2007.
Strafkamer
nr. 01210/06
DV/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 12 oktober 2005, nummer 21/006952-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Almelo van 22 november 2004 - de verdachte vrijgesproken van het hem onder 3 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "overtreding van artikel 58, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd", 2."overtreding van artikel 91 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd", 4. "ingevolge de Belastingwet verplicht zijnde tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, en opzettelijk een zodanige administratie niet voeren, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven" en 5. "opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Waling, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het in de bewezenverklaringen onder 1, 2 en 4 opgenomen opzet niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
3.2. Ten laste van de verdachte onder 1, 2 en 4 bewezen verklaard:
"1. hij, als werkgever, in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2003 in Nederland telkens opzettelijk niet de aanvang van werkzaamheden door een verzekerde in de zin van artikel 1 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen heeft medegedeeld aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam.
2. hij, als werkgever, als bedoeld in artikel 1 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in de periode van 1 december 1999 tot en met 31 december 2001 in Nederland telkens opzettelijk niet de aanvang van werkzaamheden door een verzekerde in de zin van genoemd artikel 1, heeft medegedeeld aan de Uitvoeringsinstelling, die ten aanzien van hem de in artikel 41 van genoemde wet bedoelde werkzaamheden verrichtte, te weten de SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering NV.
4. hij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2003 in Nederland als administratieplichtige, als bedoeld in artikel 52 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en als inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 en aldus als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie, te weten een administratie welke voldeed aan het gestelde in het eerste lid van genoemd artikel 52 en een loonadministratie, welke voldeed aan het bij of krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde, niet heeft gevoerd, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting wordt geheven."
3.3. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat het opzet ook op het niet naleven van de in de bewezenverklaringen bedoelde wettelijke verplichtingen dient te zijn gericht. Die opvatting is echter onjuist (vgl. HR 18 maart 1952, NJ 1952, 314). De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een verandering van zijn rechtspraak op dit punt.
3.4. Het middel faalt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 april 2007.