Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2007:AZ3863
2007-01-23
Strafrecht
01206/06 E
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2007:AZ3863 → ECLI:NL:PHR:2007:AZ3863
Inhoudsindicatie
Verjaring ex art. 72.2 Sr en voortdurend delict. Het nalaten een deugdelijke registratie te voeren t.z.v. de arbeids- en rusttijden van werknemers in de periode van 1-7-02 t/m 31-8-02, dat door het hof blijkens zijn aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie als één overtreding is aangemerkt, vormt een voortdurend delict, zodat gelet op het i.c. toepasselijke art. 72.2 Sr, zoals dit luidt sedert de inwerkingtreding op 7-7-06 van de Wet van 5-7-06, geen sprake is van verjaring.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (18)
- ECLI:NL:PHR:2024:575 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2021:696 Parket bij de Hoge Raad 11-05-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:194 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:198 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:198 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:193 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:194 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:193 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:220 Parket bij de Hoge Raad 21-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:213 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2019
- ECLI:NL:RBMNE:2018:5709 Rechtbank Midden-Nederland 23-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1584 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:453 Parket bij de Hoge Raad 18-04-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:452 Parket bij de Hoge Raad 18-04-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1479 Parket bij de Hoge Raad 20-12-2016
- ECLI:NL:PHR:2015:820 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:352 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:351 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2015
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.919 tekens)
23 januari 2007
Strafkamer
nr. 01206/06 E
KM/CAW
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, Economische Kamer, van 23 januari 2006, nummer 21/006577-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte]
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 11 november 2004 - de verdachte ter zake van 1 en 2 "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 4:3 eerste lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon" tweemaal gepleegd, veroordeeld tot geldboetes van respectievelijk € 2.250,- en € 4.500,-.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het aangevoerde voldoet niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, nu niet wordt aangevoerd dat het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen, doch slechts de verwachting wordt uitgesproken dat feit 1 ten tijde van de uitspraak van dit arrest zal zijn verjaard.
5. Slotsom
5.1. Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5.2. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het onder 1 tenlastegelegde, inhoudende het nalaten een deugdelijke registratie te voeren ter zake van de arbeids- en rusttijden van werknemers in de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 augustus 2002, dat door het Hof blijkens zijn aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie als één overtreding is aangemerkt, een voortdurend delict vormt, zodat gelet op het te dezen toepasselijke tweede lid van art. 72 Sr, zoals dit luidt sedert de inwerkingtreding op 7 juli 2006 van de Wet van 5 juli 2006, Stb. 2006, 310, geen sprake is van verjaring.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 januari 2007.
Strafkamer
nr. 01206/06 E
KM/CAW
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, Economische Kamer, van 23 januari 2006, nummer 21/006577-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte]
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 11 november 2004 - de verdachte ter zake van 1 en 2 "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 4:3 eerste lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon" tweemaal gepleegd, veroordeeld tot geldboetes van respectievelijk € 2.250,- en € 4.500,-.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het aangevoerde voldoet niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, nu niet wordt aangevoerd dat het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen, doch slechts de verwachting wordt uitgesproken dat feit 1 ten tijde van de uitspraak van dit arrest zal zijn verjaard.
5. Slotsom
5.1. Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5.2. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het onder 1 tenlastegelegde, inhoudende het nalaten een deugdelijke registratie te voeren ter zake van de arbeids- en rusttijden van werknemers in de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 augustus 2002, dat door het Hof blijkens zijn aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie als één overtreding is aangemerkt, een voortdurend delict vormt, zodat gelet op het te dezen toepasselijke tweede lid van art. 72 Sr, zoals dit luidt sedert de inwerkingtreding op 7 juli 2006 van de Wet van 5 juli 2006, Stb. 2006, 310, geen sprake is van verjaring.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 januari 2007.