Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2007:AZ2592

2007-01-26 Civiel recht C05/304HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2007-01-26
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
C05/304HR
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | JOL 2007, 53 | RvdW 2007, 132 | NJB 2007, 378 | JWB 2007/30

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht; onbevoegdheid schuldeiser. Verhaal als bedoeld in art. 6:33 BW door bank op rekeninghouder van in weerwil van een beslag op diens rekening uitbetaald saldo dat de bank nadien opnieuw aan de beslaglegger moest betalen (81 RO).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.575 tekens)
26 januari 2007
Eerste Kamer
Nr. C05/304HR
MK/GL


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:


[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,


t e g e n


ABN-AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.


1. Het geding in feitelijke instanties


Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - heeft bij exploot van 28 juli 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd [eiser] te veroordelen om aan de Bank te betalen een bedrag van ƒ 16.193,68, vermeerderd met de overeengekomen rente van 19% per jaar over ƒ 13.896,08, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan, vanaf 5 mei 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bij vonnis van 14 september 1999 heeft de rechtbank [eiser] bij verstek veroordeeld.
[Eiser] is bij dagvaarding van 19 oktober 1999 in verzet gekomen tegen het vonnis van de rechtbank van 14 september 1999 en heeft gevorderd dat hij zal worden ontheven van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij voormeld vonnis.
De Bank heeft bij conclusie van antwoord in oppositie haar eis gewijzigd en gevorderd van [eiser], op grond van een door haar aan [eiser] verrichte onverschuldigde betaling, een bedrag van ƒ 13.129,75, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan, vanaf de dag der oorspronkelijke dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
Bij vonnis van 19 december 2001 heeft de rechtbank het verstekvonnis van 14 september 1999 vernietigd en opnieuw rechtdoende, de vordering van de Bank afgewezen.
Tegen dit vonnis van de rechtbank heeft de Bank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 14 juli 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende, het verstekvonnis van 14 september 1999 vernietigd en [eiser] veroordeeld om aan de Bank tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 5.958,02 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juli 1999.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.


2. Het geding in cassatie


Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen Bank is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.


De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 1 december 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing


De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op nihil.


Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 januari 2007.