Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2007:AZ0692

2007-02-20 Strafrecht 03562/05
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2007-02-20
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
03562/05
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 2007, 435 met annotatie van T.M.C.J. Schalken | JOL 2007, 125 | RvdW 2007, 259 | NJB 2007, 597 | NbSr 2007/121

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Art. 167a Sv. 1. In cassatie kan niet voor het eerst met vrucht worden geklaagd over niet-naleving van art. 167a Sv. 2. De opvatting dat de rechter gehouden is ambtshalve onderzoek te doen naar de naleving van art. 167a Sv door het OM en van dat onderzoek te doen blijken in zijn uitspraak, vindt geen steun in het recht.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.543 tekens)
20 februari 2007
Strafkamer
nr. 03562/05
SY/SM


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest


op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 4 juli 2005, nummer 21/00757804, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].


1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 22 december 2004 - de verdachte ter zake van "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.


3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof ten onrechte het Openbaar Ministerie ontvankelijk heeft geacht in de vervolging, althans ten onrechte heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken wat de mening van de in de bewezenverklaring genoemde minderjarige was over het gepleegde feit en de vervolging van de verdachte.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is de verdachte aldaar tezamen met zijn raadsman verschenen. Door of namens de verdachte is aldaar niet aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in strijd met art. 167a Sv het minderjarige slachtoffer niet in de gelegenheid heeft gesteld haar mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.

3.3. In cassatie kan niet voor het eerst met vrucht worden geklaagd over niet-naleving van art. 167a Sv, nu dit alsmede de daaraan te verbinden gevolgen een onderzoek van feitelijke aard vergen waarvoor in cassatie geen plaats is.

3.4. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat de rechter gehouden is ambtshalve onderzoek te doen naar de naleving van art. 167a Sv door het openbaar ministerie en van dat onderzoek te doen blijken in zijn uitspraak, vindt geen steun in het recht.

3.5. De klacht treft dus geen doel.

4. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 februari 2007.