Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2007:AY8999
2007-09-21
Bestuursrecht; Belastingrecht
42180
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2007:AY8999 → ECLI:NL:PHR:2007:AY8999
Inhoudsindicatie
Art. 3.120, lid 1, letter a, jo. art. 3.123 Wet IB 2001. Renteaftrek eigen woning. Bewijs verbetering/onderhoud eigen woning van vóór 2001 ook op andere wijze dan d.m.v. schriftelijke bescheiden. Vertrouwensbeginsel.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (21)
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2242 Rechtbank Noord-Nederland 26-05-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:363 Rechtbank Noord-Nederland 12-02-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:31 Rechtbank Noord-Nederland 08-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2672 Gerechtshof Den Haag 11-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2944 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-09-2024
- ECLI:NL:OGEAC:2024:169 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 23-08-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2045 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:8651 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-10-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1354 Rechtbank Noord-Nederland 25-04-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:322 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6395 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:11214 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-12-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3072 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-10-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2884 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-09-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:7217 Rechtbank Noord-Holland 17-08-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:1735 Rechtbank Noord-Nederland 06-05-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4059 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4123 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1086 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1084 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3829 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-10-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (5.355 tekens)
Nr. 42.180
21 september 2007
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 juli 2005, nr. 04/01238, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 19 juli 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. In het jaar 2000 heeft belanghebbende de op zijn woning rustende hypotheek verhoogd. Bij de aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor dat jaar heeft belanghebbende een hypothecaire schuld voor de eigen woning per 31 december 2000 vermeld van € 242.772 en heeft hij de daarmee samenhangende rente, kosten van geldleningen daaronder begrepen, in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 conform de aangifte vastgesteld.
3.1.2. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (2001) ter zake van de in 3.1.1 vermelde schuld € 13.039 aan rente betaald. Belanghebbende heeft deze rente bij zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2001 op de voordelen uit eigen woning in aftrek gebracht.
3.1.3. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de schuld die is aangegaan ter verwerving van de eigen woning gesteld op € 211.122 en heeft hij de door belanghebbende bij zijn aangifte in aftrek gebrachte rente voor een gedeelte groot € 1697 niet geaccepteerd.
3.2. Voor het Hof was in geschil of het bedrag van de verhoging van de hypothecaire geldlening ten bedrage van € 31.650 (€ 242.772 - € 211.122) moet worden aangemerkt als een schuld waarvan de rente behoort tot de aftrekbare kosten als bedoeld in artikel 3.120, lid 1, letter a, in verbinding met artikel 3.123 van de Wet IB 2001
3.3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de bij artikel 3.123 van de Wet IB 2001 gestelde verplichting om de kosten van onderhoud en verbetering van de eigen woning te staven met schriftelijke bescheiden, niet geldt voor belanghebbendes hypothecaire lening, aangezien deze is aangegaan vóór 1 januari 2001. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat niettemin voor het onderhavige jaar van belanghebbende bewijs kan worden verlangd dat de kosten zijn gemaakt voor verbetering of onderhoud van zijn woning en dat dit bewijs ook zonder schriftelijke bescheiden kan worden geleverd.
3.3.2. De tegen laatstvermeld oordeel gerichte klacht, inhoudende dat belanghebbende aan de tijdens de totstandkoming van artikel 3.123 van de Wet IB 2001, zoals weergegeven in de onderdelen 3.1 tot en met 3.8 van de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal, gedane uitlatingen van de bewindslieden van Financiën het in rechte te honoreren vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de Inspecteur in de situatie van belanghebbende geen bewijs meer mag vragen van het doel waarvoor de lening is aangegaan, faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 2.2 tot en met 2.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3.4.1. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het enkele volgen van de aangifte voor het jaar 2000 niet bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen heeft kunnen wekken dat ook met betrekking tot het onderhavige jaar volledige renteaftrek zou worden geaccepteerd nu de aangelegenheid van de renteaftrek over het jaar 2000 niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur is voorgelegd, en dat belanghebbende bovendien geen bijkomende omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de Inspecteur een weloverwogen standpunt heeft ingenomen.
3.4.2. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. De daartegen gerichte klacht faalt derhalve eveneens.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2007.
21 september 2007
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 juli 2005, nr. 04/01238, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 19 juli 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. In het jaar 2000 heeft belanghebbende de op zijn woning rustende hypotheek verhoogd. Bij de aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor dat jaar heeft belanghebbende een hypothecaire schuld voor de eigen woning per 31 december 2000 vermeld van € 242.772 en heeft hij de daarmee samenhangende rente, kosten van geldleningen daaronder begrepen, in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 conform de aangifte vastgesteld.
3.1.2. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (2001) ter zake van de in 3.1.1 vermelde schuld € 13.039 aan rente betaald. Belanghebbende heeft deze rente bij zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2001 op de voordelen uit eigen woning in aftrek gebracht.
3.1.3. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de schuld die is aangegaan ter verwerving van de eigen woning gesteld op € 211.122 en heeft hij de door belanghebbende bij zijn aangifte in aftrek gebrachte rente voor een gedeelte groot € 1697 niet geaccepteerd.
3.2. Voor het Hof was in geschil of het bedrag van de verhoging van de hypothecaire geldlening ten bedrage van € 31.650 (€ 242.772 - € 211.122) moet worden aangemerkt als een schuld waarvan de rente behoort tot de aftrekbare kosten als bedoeld in artikel 3.120, lid 1, letter a, in verbinding met artikel 3.123 van de Wet IB 2001
3.3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de bij artikel 3.123 van de Wet IB 2001 gestelde verplichting om de kosten van onderhoud en verbetering van de eigen woning te staven met schriftelijke bescheiden, niet geldt voor belanghebbendes hypothecaire lening, aangezien deze is aangegaan vóór 1 januari 2001. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat niettemin voor het onderhavige jaar van belanghebbende bewijs kan worden verlangd dat de kosten zijn gemaakt voor verbetering of onderhoud van zijn woning en dat dit bewijs ook zonder schriftelijke bescheiden kan worden geleverd.
3.3.2. De tegen laatstvermeld oordeel gerichte klacht, inhoudende dat belanghebbende aan de tijdens de totstandkoming van artikel 3.123 van de Wet IB 2001, zoals weergegeven in de onderdelen 3.1 tot en met 3.8 van de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal, gedane uitlatingen van de bewindslieden van Financiën het in rechte te honoreren vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de Inspecteur in de situatie van belanghebbende geen bewijs meer mag vragen van het doel waarvoor de lening is aangegaan, faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 2.2 tot en met 2.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3.4.1. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het enkele volgen van de aangifte voor het jaar 2000 niet bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen heeft kunnen wekken dat ook met betrekking tot het onderhavige jaar volledige renteaftrek zou worden geaccepteerd nu de aangelegenheid van de renteaftrek over het jaar 2000 niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur is voorgelegd, en dat belanghebbende bovendien geen bijkomende omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de Inspecteur een weloverwogen standpunt heeft ingenomen.
3.4.2. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. De daartegen gerichte klacht faalt derhalve eveneens.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2007.