Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2006:AY8288
2006-11-17
Civiel recht
C05/238HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2006:AY8288 → ECLI:NL:PHR:2006:AY8288
Inhoudsindicatie
Vervoersrecht. Geschil de koper van een lading koffie en de zeevervoerder naar aanleiding van de uitvoering van gecombineerd vervoer onder cognossement van de lading koffie van Colombia via Nederland naar Dubai waarbij na lossing in Dubai cocaïne in de lading werd aangetroffen, over de vraag of het cognossement voorziet in vrijtekening van aansprakelijkheid van door de ladingbelanghebbenden geleden schade en of de vervoerder zich daarop kan beroepen (81 RO).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.900 tekens)
17 november 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/238HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats], Zwitserland,
2. GCC INVESTMENTS AND TRADE LTD,
gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,
t e g e n
P&O NEDLLOYD B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.V. Polak.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie sub 1 en 2 - verder afzonderlijk te noemen: [eiser 1] en GCC, dan wel gezamenlijk: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 18 maart 1993 verweerster in cassatie - verder te noemen: Nedlloyd - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Nedlloyd te veroordelen aan [eiser] c.s. te betalen een bedrag van USD 11.078.223,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en Nedlloyd te veroordelen in de kosten van het geding.
Nedlloyd heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 4 oktober 2001 Nedlloyd toegelaten tot bewijslevering.
Tegen dit tussenvonnis heeft Nedlloyd hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Eiser] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 22 maart 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, de vordering van [eiser] c.s. alsnog afgewezen en [eiser] c.s. in de proceskosten veroordeeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Nedlloyd heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nedlloyd begroot op € 5.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 november 2006.
Eerste Kamer
Nr. C05/238HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats], Zwitserland,
2. GCC INVESTMENTS AND TRADE LTD,
gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,
t e g e n
P&O NEDLLOYD B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.V. Polak.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie sub 1 en 2 - verder afzonderlijk te noemen: [eiser 1] en GCC, dan wel gezamenlijk: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 18 maart 1993 verweerster in cassatie - verder te noemen: Nedlloyd - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Nedlloyd te veroordelen aan [eiser] c.s. te betalen een bedrag van USD 11.078.223,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en Nedlloyd te veroordelen in de kosten van het geding.
Nedlloyd heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 4 oktober 2001 Nedlloyd toegelaten tot bewijslevering.
Tegen dit tussenvonnis heeft Nedlloyd hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Eiser] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 22 maart 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, de vordering van [eiser] c.s. alsnog afgewezen en [eiser] c.s. in de proceskosten veroordeeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Nedlloyd heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nedlloyd begroot op € 5.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 november 2006.