Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2006:AV0846
2006-07-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
42125
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2006:AV0846 → ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5067
- conclusie ECLI:NL:HR:2006:AV0846 → ECLI:NL:PHR:2006:AV0846
Inhoudsindicatie
Ondernemerschap, verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (4)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2809 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-09-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2020:4506 Rechtbank Noord-Nederland 17-09-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2015:6473 Rechtbank Gelderland 22-10-2015
- ECLI:NL:RBGEL:2015:6472 Rechtbank Gelderland 22-10-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (3.065 tekens)
Nr. 42.125
14 juli 2006
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 april 2005, nr. 04/00565, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.832, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 21 december 2005 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende belastbare winst uit onderneming geniet. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende, nu zij niet rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende de onderneming, die winst niet geniet als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 (hierna: de Wet), maar als medegerechtigde tot het ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 3.3, lid 1, letter a, van de Wet. Tegen dit oordeel keert zich het middel.
3.2. De vraag of een belastingplichtige die winst uit onderneming geniet rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming, dient, zoals het Hof met juistheid als uitgangspunt heeft genomen, te worden beantwoord naar de regels van burgerlijk recht.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende de onderhavige onderneming. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op hetgeen het Hof in de onderdelen 5.9 en 5.10 van zijn uitspraak heeft overwogen, is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, de vice-president D.G. van Vliet, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2006.
14 juli 2006
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 april 2005, nr. 04/00565, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.832, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 21 december 2005 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende belastbare winst uit onderneming geniet. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende, nu zij niet rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende de onderneming, die winst niet geniet als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 (hierna: de Wet), maar als medegerechtigde tot het ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 3.3, lid 1, letter a, van de Wet. Tegen dit oordeel keert zich het middel.
3.2. De vraag of een belastingplichtige die winst uit onderneming geniet rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming, dient, zoals het Hof met juistheid als uitgangspunt heeft genomen, te worden beantwoord naar de regels van burgerlijk recht.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende de onderhavige onderneming. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op hetgeen het Hof in de onderdelen 5.9 en 5.10 van zijn uitspraak heeft overwogen, is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, de vice-president D.G. van Vliet, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2006.