Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2005:AU8169
2005-12-16
Bestuursrecht; Belastingrecht
41587
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2005:AU8169 → ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7813
Inhoudsindicatie
Verliesvaststellingsbeschikking, ontvankelijkheid beroep, bezwaar tegen aanslag.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (45)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4499 Rechtbank Gelderland 05-06-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3763 Gerechtshof Amsterdam 23-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3294 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-11-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:12325 Rechtbank Noord-Holland 23-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:777 Parket bij de Hoge Raad 26-07-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8777 Rechtbank Noord-Holland 11-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:225 Parket bij de Hoge Raad 01-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1324 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7352 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5326 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-07-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1447 Gerechtshof Den Haag 27-06-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2022:5270 Rechtbank Gelderland 12-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:726 Parket bij de Hoge Raad 28-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2230 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-07-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2874 Rechtbank Gelderland 08-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2827 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-05-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1635 Rechtbank Den Haag 23-02-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:413 Rechtbank Noord-Nederland 17-02-2022
- ECLI:NL:HR:2022:89 Hoge Raad 28-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:12 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:10906 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:822 Parket bij de Hoge Raad 13-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:822 Parket bij de Hoge Raad 13-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:822 Parket bij de Hoge Raad 13-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:822 Parket bij de Hoge Raad 13-09-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:260 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2021
- ECLI:NL:GHARL:2019:10947 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-12-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3972 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-10-2019
- ECLI:NL:RBNNE:2019:3451 Rechtbank Noord-Nederland 25-07-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:683 Gerechtshof Den Haag 27-03-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3806 Gerechtshof Amsterdam 18-10-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1460 Gerechtshof Den Haag 18-04-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1070 Gerechtshof Amsterdam 06-03-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3723 Gerechtshof Den Haag 19-12-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:8004 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-12-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:9871 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-11-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:9872 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-11-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:3691 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-06-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:250 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-01-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2016:3918 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-06-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:820 Gerechtshof Den Haag 16-03-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2015:8097 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-12-2015
- ECLI:NL:RBZWB:2015:5768 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-09-2015
- ECLI:NL:GHSHE:2015:1096 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-03-2015
- ECLI:NL:HR:2014:878 Hoge Raad 11-04-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (5.898 tekens)
Nr. 41.587
16 december 2005
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. (voorheen A B.V.) te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 november 2004, nr. P03/02515, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 100.000, met een verhoging van ƒ 1000 wegens niet-tijdige aangifte. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Bij ambtshalve gegeven beschikking van de Inspecteur is nadien de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van nihil.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag gehandhaafd zoals deze is verminderd bij de hiervoor bedoelde beschikking, en het beroep niet-ontvankelijk verklaard voorzover het betrekking heeft op het vaststellen van een verlies van belanghebbende over het jaar 1997. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.H. Asbreuk, advocaat te Rotterdam.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Aan belanghebbende is in maart 1998 een aangiftebiljet vennootschapsbelasting voor het jaar 1997 uitgereikt. De uiterste inleverdatum van dit biljet was gesteld op 31 mei 1998. Op verzoek van belanghebbende is voor het doen van aangifte uitstel verleend tot 1 maart 1999.
3.1.2. Op 29 maart 1999 is een aanmaning verzonden inhoudende dat het aangiftebiljet vóór 13 april 1999 diende te worden ingediend. Op of vóór deze datum is het aangiftebiljet niet aan de Belastingdienst toegezonden.
3.1.3. Op 30 juni 1999 heeft de Inspecteur ambtshalve een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 100.000. Het aangiftebiljet was bij de Belastingdienst ingekomen op 17 juni 1999 en vermeldde een verlies ten bedrage van ƒ 13.071.718. De aanslagregelende ambtenaar droeg ten tijde van het opleggen van de aanslag geen kennis van het aangiftebiljet. Hij heeft de aangifte aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag.
3.1.4. Bij uitspraak van 22 april 2003 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.
3.2.1. Het Hof heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep voorzover het betrekking heeft op het vaststellen van het verlies van het onderhavige jaar.
3.2.2. Artikel 20a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1997) bepaalt dat de inspecteur het bedrag van een verlies van een jaar vaststelt bij voor bezwaar vatbare beschikking (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking), gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. In een geval waarin de inspecteur een aanslag oplegt naar een positief belastbaar bedrag, ligt in die aanslag besloten de beschikking dat het verlies van dat jaar nihil bedraagt. Wordt tegen een dergelijke aanslag bezwaar gemaakt en wordt die aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd of verminderd tot een lager positief bedrag, dan ligt in die uitspraak op dat bezwaar ook de beslissing besloten om de in de aanslag besloten liggende beschikking inzake het verlies te handhaven. De verliesvaststellingsbeschikking komt in een dergelijk geval pas vast te staan zodra de aanslag onherroepelijk is geworden. Dat brengt mee dat de belastingplichtige ook in beroep nog kan aanvoeren dat het verlies op een ander bedrag moet worden vastgesteld, ook als hij in bezwaar slechts een vermindering van het belastbaar bedrag tot een lager - positief - bedrag heeft bepleit. Het middel slaagt mitsdien.
3.3. Belanghebbende is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk in haar beroep verklaard voorzover dat betrekking heeft op het vaststellen van het verlies over het onderhavige jaar. De overige middelen behoeven geen behandeling. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 41588 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch enkel voorzover belanghebbende daarbij niet-ontvankelijk is verklaard,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1288, derhalve € 644, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2005.
16 december 2005
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. (voorheen A B.V.) te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 november 2004, nr. P03/02515, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 100.000, met een verhoging van ƒ 1000 wegens niet-tijdige aangifte. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Bij ambtshalve gegeven beschikking van de Inspecteur is nadien de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van nihil.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag gehandhaafd zoals deze is verminderd bij de hiervoor bedoelde beschikking, en het beroep niet-ontvankelijk verklaard voorzover het betrekking heeft op het vaststellen van een verlies van belanghebbende over het jaar 1997. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.H. Asbreuk, advocaat te Rotterdam.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Aan belanghebbende is in maart 1998 een aangiftebiljet vennootschapsbelasting voor het jaar 1997 uitgereikt. De uiterste inleverdatum van dit biljet was gesteld op 31 mei 1998. Op verzoek van belanghebbende is voor het doen van aangifte uitstel verleend tot 1 maart 1999.
3.1.2. Op 29 maart 1999 is een aanmaning verzonden inhoudende dat het aangiftebiljet vóór 13 april 1999 diende te worden ingediend. Op of vóór deze datum is het aangiftebiljet niet aan de Belastingdienst toegezonden.
3.1.3. Op 30 juni 1999 heeft de Inspecteur ambtshalve een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 100.000. Het aangiftebiljet was bij de Belastingdienst ingekomen op 17 juni 1999 en vermeldde een verlies ten bedrage van ƒ 13.071.718. De aanslagregelende ambtenaar droeg ten tijde van het opleggen van de aanslag geen kennis van het aangiftebiljet. Hij heeft de aangifte aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag.
3.1.4. Bij uitspraak van 22 april 2003 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.
3.2.1. Het Hof heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep voorzover het betrekking heeft op het vaststellen van het verlies van het onderhavige jaar.
3.2.2. Artikel 20a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1997) bepaalt dat de inspecteur het bedrag van een verlies van een jaar vaststelt bij voor bezwaar vatbare beschikking (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking), gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. In een geval waarin de inspecteur een aanslag oplegt naar een positief belastbaar bedrag, ligt in die aanslag besloten de beschikking dat het verlies van dat jaar nihil bedraagt. Wordt tegen een dergelijke aanslag bezwaar gemaakt en wordt die aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd of verminderd tot een lager positief bedrag, dan ligt in die uitspraak op dat bezwaar ook de beslissing besloten om de in de aanslag besloten liggende beschikking inzake het verlies te handhaven. De verliesvaststellingsbeschikking komt in een dergelijk geval pas vast te staan zodra de aanslag onherroepelijk is geworden. Dat brengt mee dat de belastingplichtige ook in beroep nog kan aanvoeren dat het verlies op een ander bedrag moet worden vastgesteld, ook als hij in bezwaar slechts een vermindering van het belastbaar bedrag tot een lager - positief - bedrag heeft bepleit. Het middel slaagt mitsdien.
3.3. Belanghebbende is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk in haar beroep verklaard voorzover dat betrekking heeft op het vaststellen van het verlies over het onderhavige jaar. De overige middelen behoeven geen behandeling. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 41588 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch enkel voorzover belanghebbende daarbij niet-ontvankelijk is verklaard,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1288, derhalve € 644, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2005.