Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2005:AU7714
2005-12-09
Bestuursrecht; Belastingrecht
39895
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2005:AU7714 → ECLI:NL:GHLEE:2003:AH9586
Inhoudsindicatie
WOZ; bewijsoordeel onbegrijpelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (21)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:837 Gerechtshof Den Haag 21-03-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1066 Gerechtshof Den Haag 21-03-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1064 Gerechtshof Den Haag 28-02-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1607 Gerechtshof Den Haag 25-05-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1185 Gerechtshof Den Haag 12-04-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:342 Gerechtshof Den Haag 17-02-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:106 Gerechtshof Den Haag 13-01-2016
- ECLI:NL:RBROT:2015:9717 Rechtbank Rotterdam 24-12-2015
- ECLI:NL:RBROT:2015:9718 Rechtbank Rotterdam 24-12-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:3372 Gerechtshof Den Haag 02-12-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2346 Gerechtshof Den Haag 26-08-2015
- ECLI:NL:RBROT:2015:4969 Rechtbank Rotterdam 14-07-2015
- ECLI:NL:RBROT:2015:4968 Rechtbank Rotterdam 14-07-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:1684 Gerechtshof Den Haag 17-06-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:1493 Gerechtshof Den Haag 09-06-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:963 Gerechtshof Den Haag 25-03-2015
- ECLI:NL:RBROT:2015:2043 Rechtbank Rotterdam 25-03-2015
- ECLI:NL:RBROT:2015:842 Rechtbank Rotterdam 10-02-2015
- ECLI:NL:RBROT:2014:10021 Rechtbank Rotterdam 12-12-2014
- ECLI:NL:RBROT:2014:8861 Rechtbank Rotterdam 31-10-2014
- ECLI:NL:RBZWB:2014:3041 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-03-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (4.589 tekens)
Nr. 39.895
9 december 2005
JBH
gewezen op het beroep in cassatie van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 juli 2003, nr. BK 321/02, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z, voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld op ƒ 703.000 (€ 319.007).
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Noordenveld (hierna: de heffingsambtenaar) bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op ƒ 360.000 (€ 163.360). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard en daartoe in de eerste plaats geoordeeld dat de heffingsambtenaar de door hem vastgestelde waarde van de onroerende zaak niet aannemelijk heeft gemaakt.
3.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de door belanghebbende opgegeven waarde van ƒ 360.000 (€ 163.300) "voldoende aanknopingspunten biedt", en de waarde van de onroerende zaak op dat bedrag vastgesteld. Dat oordeel komt er kennelijk op neer dat het Hof aannemelijk heeft bevonden dat de door belanghebbende verdedigde waarde overeenstemt met de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde. Dat oordeel wordt terecht bestreden.
Blijkens de stukken van het geding is de door belanghebbende voorgestane waarde niet onderbouwd door middel van een taxatierapport of een vergelijking met verkoopcijfers van vergelijkbare panden of door enig ander bewijsmiddel; belanghebbende heeft die - door de heffingsambtenaar bestreden - waarde uitsluitend beargumenteerd door een zekere procentuele verhoging toe te passen op de per 1 januari 1995 vastgestelde waarde. Hij heeft zich ter terechtzitting naar aanleiding van een uitdrukkelijke vraag van de voorzitter niet erover uitgelaten of de door hem voorgestane waarde een reële waarde is. Zulks kan niet anders worden begrepen dan dat belanghebbende desgevraagd niet heeft kunnen toelichten waarom de door hem gestelde waarde de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde representeert.
In het licht van dit een en ander is zonder nadere motivering, die echter ontbreekt, onbegrijpelijk op grond waarvan het Hof aannemelijk heeft geoordeeld dat de door belanghebbende verdedigde waarde overeenstemt met de zojuist bedoelde waarde, dat is "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44).
3.3. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek naar de waarde van de onroerende zaak. In verband daarmee behoeft de klacht tegen het hiervoor in 3.1 weergegeven oordeel van het Hof geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2005.
9 december 2005
JBH
gewezen op het beroep in cassatie van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 juli 2003, nr. BK 321/02, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z, voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld op ƒ 703.000 (€ 319.007).
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Noordenveld (hierna: de heffingsambtenaar) bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op ƒ 360.000 (€ 163.360). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard en daartoe in de eerste plaats geoordeeld dat de heffingsambtenaar de door hem vastgestelde waarde van de onroerende zaak niet aannemelijk heeft gemaakt.
3.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de door belanghebbende opgegeven waarde van ƒ 360.000 (€ 163.300) "voldoende aanknopingspunten biedt", en de waarde van de onroerende zaak op dat bedrag vastgesteld. Dat oordeel komt er kennelijk op neer dat het Hof aannemelijk heeft bevonden dat de door belanghebbende verdedigde waarde overeenstemt met de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde. Dat oordeel wordt terecht bestreden.
Blijkens de stukken van het geding is de door belanghebbende voorgestane waarde niet onderbouwd door middel van een taxatierapport of een vergelijking met verkoopcijfers van vergelijkbare panden of door enig ander bewijsmiddel; belanghebbende heeft die - door de heffingsambtenaar bestreden - waarde uitsluitend beargumenteerd door een zekere procentuele verhoging toe te passen op de per 1 januari 1995 vastgestelde waarde. Hij heeft zich ter terechtzitting naar aanleiding van een uitdrukkelijke vraag van de voorzitter niet erover uitgelaten of de door hem voorgestane waarde een reële waarde is. Zulks kan niet anders worden begrepen dan dat belanghebbende desgevraagd niet heeft kunnen toelichten waarom de door hem gestelde waarde de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde representeert.
In het licht van dit een en ander is zonder nadere motivering, die echter ontbreekt, onbegrijpelijk op grond waarvan het Hof aannemelijk heeft geoordeeld dat de door belanghebbende verdedigde waarde overeenstemt met de zojuist bedoelde waarde, dat is "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44).
3.3. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek naar de waarde van de onroerende zaak. In verband daarmee behoeft de klacht tegen het hiervoor in 3.1 weergegeven oordeel van het Hof geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2005.