Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2005:AU3961
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2005:AU3961 → ECLI:NL:PHR:2005:AU3961
Inhoudsindicatie
Ontvankelijkheid verdachte in appèl. Begrijpelijke verstekmededeling. Hof: verdachte heeft vanaf 20-12-89 in totaal 23 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en is op 16-11-90 bij verstek veroordeeld; dit niet-onherroepelijke vonnis is op 31-12-91 door een mededeling ex art. 366 Sv aan verdachte – die toen de Nederlandse taal niet beheerste, kort voor zijn uitzetting – in persoon betekend, op zodanige wijze dat hij heeft moeten begrijpen dat hem mededelingen over een tegen hem gewezen vonnis werden gedaan; op 19-3-04 heeft verdachte, tardief, appèl ingesteld. Conclusie AG: uit EHRM NJ 1994, 26, blijkt dat art. 6 EVRM niet zonder meer meebrengt dat verdachte recht heeft op een schriftelijke vertaling van het vonnis. Het gaat erom dat verdachte voldoende te weten kan komen over de zaak tegen hem, zodat hij zich kan verdedigen. Met het oog daarop moet voldoende vertaling plaatsvinden. In het algemeen zal met vertolking van de korte inhoud van relevante processtukken kunnen worden volstaan. Het hof heeft geoordeeld dat uit art. 6 EVRM geen onbeperkt recht op vertaling van processtukken kan worden afgeleid en dat het ontbreken van een vertaling van het verstekvonnis als zodanig geen schending van art. 6 EVRM oplevert, maar dat wel op zodanige wijze in een voor verdachte begrijpelijke taal moet worden gecommuniceerd dat de essentie van de zaak hem duidelijk is geworden. ‘s Hofs oordeel dat verdachte heeft moeten begrijpen dat hem mededelingen werden gedaan over het tegen hem gewezen strafvonnis, is onjuist noch onbegrijpelijk (HR NJ 2004, 551). HR: 81 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (5)
- ECLI:NL:PHR:2022:773 Parket bij de Hoge Raad 30-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:773 Parket bij de Hoge Raad 30-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2019:835 Parket bij de Hoge Raad 27-08-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:771 Parket bij de Hoge Raad 10-07-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:770 Parket bij de Hoge Raad 10-07-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (1.666 tekens)
Strafkamer
nr. 03481/04
AGJ/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 15 september 2004, nummer 21/003143-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1960, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 november 2005.