Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2005:AU3929
2005-10-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
35729
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2005:AU3929 → ECLI:NL:GHARN:1999:AA3902
Inhoudsindicatie
Genormeerde proceskostenvergoeding, beperking toegang tot gemeenschapsrecht.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (142)
- ECLI:NL:HR:2026:1246 Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1299 Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:5134 Rechtbank Noord-Holland 21-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1607 Gerechtshof Den Haag 01-04-2026
- ECLI:NL:HR:2026:399 Hoge Raad 13-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2916 Gerechtshof Den Haag 24-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2870 Gerechtshof Den Haag 17-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2871 Gerechtshof Den Haag 17-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2918 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2920 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2919 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2366 Gerechtshof Den Haag 12-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2367 Gerechtshof Den Haag 30-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2247 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2237 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2236 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:6947 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6951 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6950 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6946 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6947 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17148 Rechtbank Den Haag 11-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16049 Rechtbank Den Haag 04-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16050 Rechtbank Den Haag 04-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16057 Rechtbank Den Haag 04-10-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5495 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-08-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:4500 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-05-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:2227 Rechtbank Gelderland 18-04-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:2226 Rechtbank Gelderland 18-04-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:349 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:645 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:645 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1742 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1747 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-03-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:489 Rechtbank Noord-Nederland 02-03-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:490 Rechtbank Noord-Nederland 02-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:11824 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:11825 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:11520 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:11519 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:11521 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:11106 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10900 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10898 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10007 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-10-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:9550 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-10-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2261 Gerechtshof Amsterdam 24-06-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2260 Gerechtshof Amsterdam 24-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:5873 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-06-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:907 Rechtbank Noord-Nederland 19-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:2183 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-03-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:816 Gerechtshof Amsterdam 23-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:1532 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:936 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:69 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-01-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:68 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-01-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3842 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3842 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (4.715 tekens)
Nr. 35.729
7 oktober 2005
RvS
gewezen op na te melden verzoek van Bosal Holding B.V. te Vianen.
1. Verzoek
Bij de intrekking door belanghebbende van het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 oktober 1999, nr. 96/01116, betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting heeft belanghebbende het verzoek gedaan de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de behandeling van het geding in cassatie en de behandeling van het geding voor het Gerechtshof te Arnhem. Het geschrift waarbij dit verzoek is gedaan, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van het verzoek
2.1. Nu belanghebbende het door haar ingestelde beroep heeft ingetrokken omdat de Staatssecretaris aan haar bezwaar is tegemoetgekomen en het verzoek om een veroordeling in de proceskosten is geschied met inachtneming van het in artikel 8:75a, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde, acht de Hoge Raad termen aanwezig voor een veroordeling van de Staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie, met inbegrip van die welke samenhangen met de prejudiciële procedure welke heeft geleid tot het arrest van het Hof van Justitie van 18 september 2003, Bosal Holding B.V., C-168/01, Jurispr. 2003, blz. I-09409, BNB 2003/344, alsmede voor een veroordeling van de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Gerechtshof te Arnhem.
2.2. Belanghebbende verzoekt het bedrag van de vergoeding te stellen op dat van de werkelijk gemaakte proceskosten. Zij betoogt dat een vergoedingsregeling als vervat in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wegens de daarin opgenomen normering een ongeoorloofde beperking van de toegang tot het gemeenschapsrecht vormt.
2.3. Bij een veroordeling als hiervoor bedoeld kan ingevolge het Besluit in beginsel slechts een vergoeding worden toegekend, berekend met inachtneming van de in het Besluit aangegeven normering. In bijzondere omstandigheden biedt artikel 2, lid 3, van het Besluit de mogelijkheid van die normering af te wijken. Het ligt dan op de weg van de belanghebbende om bij te brengen waarin die bijzondere omstandigheden zijn gelegen. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds het feit dat een onjuist bevonden standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd is met bepalingen van gemeenschapsrecht, met zich brengt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin (vgl. HR 17 december 2004, nr. C03/114HR, NJ 2005, 361). Evenmin is een bijzondere omstandigheid dat de werkelijk gemaakte proceskosten hoger zijn dan het bedrag van de proceskostenvergoeding waarop volgens de hoofdregel van het Besluit aanspraak kan worden gemaakt.
2.4. Uit het gemeenschapsrecht volgt dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied er niet toe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het gemeenschapsrecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. Getoetst aan deze norm is, anders dan belanghebbende betoogt, het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Besluit aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, niet voldoende om te concluderen dat aan het gemeenschapsrecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend. Bijkomende omstandigheden kunnen in samenhang met dat feit tot een andere conclusie nopen. Zulke omstandigheden zijn in dit geval echter niet aangevoerd.
2.5. Gelet op het hiervóór overwogene zal de Hoge Raad de toe te kennen vergoeding berekenen met inachtneming van de in het Besluit neergelegde normering.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3864 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2005.
7 oktober 2005
RvS
gewezen op na te melden verzoek van Bosal Holding B.V. te Vianen.
1. Verzoek
Bij de intrekking door belanghebbende van het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 oktober 1999, nr. 96/01116, betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting heeft belanghebbende het verzoek gedaan de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de behandeling van het geding in cassatie en de behandeling van het geding voor het Gerechtshof te Arnhem. Het geschrift waarbij dit verzoek is gedaan, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van het verzoek
2.1. Nu belanghebbende het door haar ingestelde beroep heeft ingetrokken omdat de Staatssecretaris aan haar bezwaar is tegemoetgekomen en het verzoek om een veroordeling in de proceskosten is geschied met inachtneming van het in artikel 8:75a, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde, acht de Hoge Raad termen aanwezig voor een veroordeling van de Staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie, met inbegrip van die welke samenhangen met de prejudiciële procedure welke heeft geleid tot het arrest van het Hof van Justitie van 18 september 2003, Bosal Holding B.V., C-168/01, Jurispr. 2003, blz. I-09409, BNB 2003/344, alsmede voor een veroordeling van de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Gerechtshof te Arnhem.
2.2. Belanghebbende verzoekt het bedrag van de vergoeding te stellen op dat van de werkelijk gemaakte proceskosten. Zij betoogt dat een vergoedingsregeling als vervat in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wegens de daarin opgenomen normering een ongeoorloofde beperking van de toegang tot het gemeenschapsrecht vormt.
2.3. Bij een veroordeling als hiervoor bedoeld kan ingevolge het Besluit in beginsel slechts een vergoeding worden toegekend, berekend met inachtneming van de in het Besluit aangegeven normering. In bijzondere omstandigheden biedt artikel 2, lid 3, van het Besluit de mogelijkheid van die normering af te wijken. Het ligt dan op de weg van de belanghebbende om bij te brengen waarin die bijzondere omstandigheden zijn gelegen. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds het feit dat een onjuist bevonden standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd is met bepalingen van gemeenschapsrecht, met zich brengt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin (vgl. HR 17 december 2004, nr. C03/114HR, NJ 2005, 361). Evenmin is een bijzondere omstandigheid dat de werkelijk gemaakte proceskosten hoger zijn dan het bedrag van de proceskostenvergoeding waarop volgens de hoofdregel van het Besluit aanspraak kan worden gemaakt.
2.4. Uit het gemeenschapsrecht volgt dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied er niet toe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het gemeenschapsrecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. Getoetst aan deze norm is, anders dan belanghebbende betoogt, het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Besluit aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, niet voldoende om te concluderen dat aan het gemeenschapsrecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend. Bijkomende omstandigheden kunnen in samenhang met dat feit tot een andere conclusie nopen. Zulke omstandigheden zijn in dit geval echter niet aangevoerd.
2.5. Gelet op het hiervóór overwogene zal de Hoge Raad de toe te kennen vergoeding berekenen met inachtneming van de in het Besluit neergelegde normering.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3864 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2005.