Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2005:AU3723
2005-10-21
Civiel recht; Personen- en familierecht
R05/011HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2005:AU3723 → ECLI:NL:PHR:2005:AU3723
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarig kind, weigering van moeder tot medewerking aan DNA-onderzoek; ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen ‘s hofs beschikking tot bekrachtiging van de tussenbeschikking van de rechtbank met vaststelling dat vader de verwekker is en met verzoek aan de raad voor de kinderbescherming tot het doen van onderzoek, openstelling tussentijds appel niet tevens openstelling tussentijds cassatieberoep.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (5)
- ECLI:NL:PHR:2024:1136 Parket bij de Hoge Raad 06-09-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1117 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2020:487 Parket bij de Hoge Raad 15-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2016:284 Parket bij de Hoge Raad 26-02-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:284 Parket bij de Hoge Raad 26-02-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (2.903 tekens)
21 oktober 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/011HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. L. van Hoppe.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 27 september 2002 ter griffie van de rechtbank te Breda ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht hem toestemming te verlenen om [de dochter], geboren op [geboortedatum] 2002, hierna: [kind 1], te erkennen.
De rechtbank heeft bij beschikking van 29 november 2002 een bijzondere curator over [de dochter] benoemd.
Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft het verzoek bestreden en de rechtbank verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.
Na een mondelinge behandeling op 7 januari 2003 heeft de rechtbank bij beschikkingen van 24 februari 2003 en 7 januari 2004 de raad voor de kinderbescherming te Tilburg verzocht (nader) rapport en advies uit te brengen. Bij beschikking van 29 april 2004 heeft de rechtbank wederom de raad voor de kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen, iedere verdere beslissing aangehouden, en tussentijds hoger beroep opengesteld.
Tegen de beschikking 29 april 2004 heeft de vrouw bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 21 oktober 2004 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft primair verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans het beroep te verwerpen.
De vrouw heeft verzocht het beroep van de man op niet-ontvankelijkheid te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijk-verklaring van de vrouw in haar cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De vrouw dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1-2.6 uiteengezette gronden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren, P.C. Kop, als voorzitter, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 21 oktober 2005.
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/011HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. L. van Hoppe.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 27 september 2002 ter griffie van de rechtbank te Breda ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht hem toestemming te verlenen om [de dochter], geboren op [geboortedatum] 2002, hierna: [kind 1], te erkennen.
De rechtbank heeft bij beschikking van 29 november 2002 een bijzondere curator over [de dochter] benoemd.
Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft het verzoek bestreden en de rechtbank verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.
Na een mondelinge behandeling op 7 januari 2003 heeft de rechtbank bij beschikkingen van 24 februari 2003 en 7 januari 2004 de raad voor de kinderbescherming te Tilburg verzocht (nader) rapport en advies uit te brengen. Bij beschikking van 29 april 2004 heeft de rechtbank wederom de raad voor de kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen, iedere verdere beslissing aangehouden, en tussentijds hoger beroep opengesteld.
Tegen de beschikking 29 april 2004 heeft de vrouw bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 21 oktober 2004 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft primair verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans het beroep te verwerpen.
De vrouw heeft verzocht het beroep van de man op niet-ontvankelijkheid te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijk-verklaring van de vrouw in haar cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De vrouw dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1-2.6 uiteengezette gronden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren, P.C. Kop, als voorzitter, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 21 oktober 2005.