Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2005:AS2713
2005-04-15
Civiel recht
R05/001HR (CW 2390)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2005:AS2713 → ECLI:NL:PHR:2005:AS2713
Inhoudsindicatie
15 april 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R05/001HR (CW 2390) JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een eis tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en gericht tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 9 oktober 2003. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (62)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4244 Rechtbank Midden-Nederland 03-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:563 Gerechtshof Den Haag 21-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3431 Rechtbank Gelderland 21-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3431 Rechtbank Gelderland 21-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7137 Rechtbank Midden-Nederland 12-12-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:12637 Rechtbank Rotterdam 22-10-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:5477 Rechtbank Midden-Nederland 10-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2538 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-09-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:4668 Rechtbank Rotterdam 31-03-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:2399 Rechtbank Gelderland 28-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5016 Rechtbank Den Haag 27-03-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2024:8082 Rechtbank Amsterdam 19-12-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:9502 Rechtbank Limburg 06-12-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:11797 Rechtbank Rotterdam 25-11-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:1694 Rechtbank Midden-Nederland 19-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:185 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:185 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2024
- ECLI:NL:OGHACMB:2023:238 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 05-12-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:6219 Rechtbank Midden-Nederland 22-11-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:7710 Rechtbank Amsterdam 16-11-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:6994 Rechtbank Midden-Nederland 10-11-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10666 Rechtbank Rotterdam 10-11-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:5505 Rechtbank Noord-Nederland 28-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:7140 Rechtbank Noord-Holland 19-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:7140 Rechtbank Noord-Holland 19-07-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:3383 Rechtbank Midden-Nederland 29-06-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:2109 Rechtbank Overijssel 06-06-2023
- ECLI:NL:OGEAA:2023:57 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 02-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1164 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-04-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1003 Rechtbank Gelderland 24-02-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2022:5293 Rechtbank Midden-Nederland 22-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1562 Gerechtshof Den Haag 30-08-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2022:1959 Rechtbank Oost-Brabant 10-05-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2022:1959 Rechtbank Oost-Brabant 10-05-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:3449 Rechtbank Rotterdam 04-05-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:2694 Rechtbank Noord-Holland 31-03-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:2694 Rechtbank Noord-Holland 31-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:31 Parket bij de Hoge Raad 14-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:31 Parket bij de Hoge Raad 14-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:31 Parket bij de Hoge Raad 14-01-2022
- ECLI:NL:RBROT:2021:8905 Rechtbank Rotterdam 27-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:10269 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-12-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:11337 Rechtbank Rotterdam 25-11-2020
- ECLI:NL:RBMNE:2020:6053 Rechtbank Midden-Nederland 09-10-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5232 Rechtbank Den Haag 05-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:290 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:290 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2020
- ECLI:NL:RBOVE:2020:1115 Rechtbank Overijssel 12-03-2020
- ECLI:NL:OGEAC:2019:296 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 23-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2922 Centrale Raad van Beroep 28-08-2019
- ECLI:NL:RBROT:2019:2172 Rechtbank Rotterdam 18-02-2019
- ECLI:NL:RBNHO:2019:1039 Rechtbank Noord-Holland 29-01-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1271 Parket bij de Hoge Raad 19-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1270 Parket bij de Hoge Raad 19-10-2018
- ECLI:NL:RBMNE:2018:2547 Rechtbank Midden-Nederland 24-05-2018
- ECLI:NL:RBNHO:2018:3264 Rechtbank Noord-Holland 17-04-2018
- ECLI:NL:RBNHO:2018:3264 Rechtbank Noord-Holland 17-04-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1024 Parket bij de Hoge Raad 29-08-2017
- ECLI:NL:RBOVE:2017:1908 Rechtbank Overijssel 21-04-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2014:2236 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-07-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.201 tekens)
15 april 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/001HR (CW 2390)
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een eis tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en gericht tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 9 oktober 2003.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser], wonende te [woonplaats], hierna: [eiser], heeft bij exploot van 25 september 2003 Ciris Creative Interactive Television B.V., gevestigd te Hilversum, hierna: Ciris, in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam en, kort gezegd, gevorderd Ciris te veroordelen tot betaling van het achterstallige loon vanaf 14 augustus 2003, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en tijdige betaling aan hem van de toekomstige maandsalarissen tot het moment dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Voorts heeft [eiser] gevorderd dat hij tot zijn werk wordt toegelaten door opheffing van de schorsing en hij in de gelegenheid wordt gesteld de bedongen werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom.
Ciris heeft de vorderingen bestreden.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 9 oktober 2003, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [eiser] grotendeels toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft Ciris hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam, welk hoger beroep later is ingetrokken, daar de daarin genoemde voorwaardelijke ontbindingsprocedure tot een schikking heeft geleid.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2003 heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld. De desbetreffende voordracht en vordering zijn aan dit arrest gehecht.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis van de rechtbank te Amsterdam waarbij de Hoge Raad zal verstaan dat die vernietiging geen nadeel toebrengt aan de rechten door partijen verkregen.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiser] is op 1 januari 2000 in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) Ciris. Bij aandeelhoudersbesluit van 17 juni 2002 is [eiser] benoemd tot statutair bestuurder van Ciris.
(ii) Bij brief van 13 augustus 2003 is [eiser] uitgenodigd voor het bijwonen van een algemene vergadering van aandeelhouders op 18 augustus 2003 in verband met een voorgenomen ontslag van [eiser] als directeur/bestuurder van Ciris.
(iii) Bij brief van 13 augustus 2003 heeft de raadsman van [eiser] aan Ciris onder meer geschreven:
"(...) namens cliënt meld ik u wel reeds dat hij zijn ontslag neemt als bestuurder van de vennootschap, één en ander overigens met instandhouding van de arbeidsrechtelijke relatie. Ik verzoek u dan ook om cliënt per omgaande als bestuurder uit de Kamer van Koophandel uit te schrijven."
(iv) Ciris heeft de salarisbetaling aan [eiser] per 14 augustus 2003 stopgezet.
3.2 [Eiser] heeft Ciris in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam. Hij heeft gevorderd Ciris te veroordelen, kort gezegd, tot betaling van het verschuldigde salaris en toelating van hem tot zijn werk. Daaraan heeft [eiser], voorzover hier van belang, ten grondslag gelegd dat Ciris de loonbetalingen ten onrechte heeft stopgezet op de grond dat hij na zijn ontslagname niet meer bij Ciris in dienst is, nu de arbeidsrechtelijke relatie na het neerleggen van zijn statutaire positie in stand is gebleven. Ciris heeft de vordering bestreden.
3.3 Bij vonnis van 9 oktober 2003 - waartegen een gewoon rechtsmiddel niet meer openstaat - heeft de voorzieningenrechter Ciris veroordeeld tot betaling van het [eiser] toekomende salaris totdat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd en haar bevolen [eiser] toe te laten tot het werk op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daartoe is in het vonnis onder meer overwogen (rov. 5):
"Wanneer een natuurlijk persoon als bestuurder van een besloten vennootschap is benoemd en zijn werkzaamheden krachtens arbeidsovereenkomst verricht, brengt een bij (geldig) besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap aan hem als bestuurder verleend ontslag ingevolge artikel 2:244 lid 1 BW mee dat hij de hoedanigheid van bestuurder verliest en dus geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer kan uitoefenen. Dit hoeft echter niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit ook geldt in het (niet zo vaak voorkomende) geval dat hier speelt, waarbij betrokkene zelf zijn functie als statutair bestuurder neerlegt. De stelling dat het neerleggen van zijn functie als statutair bestuurder automatisch het einde van de dienstbetrekking van [eiser] met Ciris heeft meegebracht, kan de voorzieningenrechter dan ook niet volgen, te minder nu in de brief van 13 augustus 2003 van zijn raadsman [eiser] expliciet te kennen heeft gegeven dat deze beëindiging niet ziet op zijn arbeidsrechtelijke relatie (zie 1.g.). Voorshands dient dan ook van het bestaan van de dienstbetrekking tussen [eiser] en Ciris te worden uitgegaan, nu noch [eiser] noch Ciris tot beëindiging hiervan is overgegaan."
3.4 Het middel behelst de klacht dat de voorzieningenrechter ten onrechte, in strijd met art. 2:244 BW, heeft geoordeeld dat ontslagneming door de statutair directeur van een besloten vennootschap niet tevens het einde van zijn arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft.
3.5.1 Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.
3.5.2 Wanneer een natuurlijke persoon die als bestuurder van de naamloze of besloten vennootschap is benoemd en - zoals veelal het geval is en hier door de voorzieningenrechter is aangenomen - krachtens arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden verricht, bij een geldig besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap als bestuurder ontslag is verleend, verliest hij ingevolge art. 2:134 lid 1 BW onderscheidenlijk art. 2:244 lid 1 BW de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap en kan hij geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer uitoefenen, maar behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. Het antwoord op de vraag welke gevolgen het ontslagbesluit heeft voor de arbeidsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschap, moet worden gegeven aan de hand van het bepaalde in de arbeidsovereenkomst en in de op arbeidsovereenkomsten toepasselijke wetsbepalingen, voor zover Boek 2 BW deze wetsbepalingen niet uitdrukkelijk terzijde stelt (zie: HR 13 november 1992, nr. 151146, NJ 1993, 265).
3.5.3 Naar mede blijkt uit de wetsgeschiedenis van (de voorloper van) de art. 2:134 en 2:244 BW (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9), strekken deze bepalingen ertoe te bewerkstellingen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Daarom heeft te gelden dat een ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat (vgl. HR 17 november 1995, rek. nr. 8746, NJ 1996, 142) of indien partijen anders zijn overeengekomen.
3.5.4 De statutaire bestuurder van een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap kan eenzijdig zijn functie neerleggen; aanvaarding van zijn ontslagneming is geen vereiste voor de effectuering daarvan (vgl. HR 8 december 1989, rek. nr. 7405, NJ 1990, 452).
3.5.5 Het strookt met het onder 3.5.3 voor het daar bedoelde geval geformuleerde uitgangspunt aan te nemen dat ook de ontslagneming door de statutaire bestuurder in beginsel tot gevolg heeft dat zijn dienstbetrekking eindigt. Daaruit vloeit tevens voort dat niet kan worden aanvaard dat de bestuurder, die zijn functie neerlegt, die ontslagneming eenzijdig kan beperken tot het verlies van de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap met instandhouding van de dienstbetrekking.
3.6 Gelet op het vorenstaande is het middel gegrond. Het oordeel van de voorzieningenrechter, dat is gebaseerd op het uitgangspunt dat het neerleggen van de functie als statutaire bestuurder niet tevens het einde van de dienstbetrekking tot gevolg heeft, getuigt immers van een onjuiste rechtsopvatting.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt, in het belang der wet, het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 9 oktober 2003;
verstaat dat deze vernietiging geen nadeel toebrengt aan de rechten door partijen verkregen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 15 april 2005.
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/001HR (CW 2390)
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een eis tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en gericht tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 9 oktober 2003.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser], wonende te [woonplaats], hierna: [eiser], heeft bij exploot van 25 september 2003 Ciris Creative Interactive Television B.V., gevestigd te Hilversum, hierna: Ciris, in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam en, kort gezegd, gevorderd Ciris te veroordelen tot betaling van het achterstallige loon vanaf 14 augustus 2003, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en tijdige betaling aan hem van de toekomstige maandsalarissen tot het moment dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Voorts heeft [eiser] gevorderd dat hij tot zijn werk wordt toegelaten door opheffing van de schorsing en hij in de gelegenheid wordt gesteld de bedongen werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom.
Ciris heeft de vorderingen bestreden.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 9 oktober 2003, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [eiser] grotendeels toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft Ciris hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam, welk hoger beroep later is ingetrokken, daar de daarin genoemde voorwaardelijke ontbindingsprocedure tot een schikking heeft geleid.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2003 heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld. De desbetreffende voordracht en vordering zijn aan dit arrest gehecht.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis van de rechtbank te Amsterdam waarbij de Hoge Raad zal verstaan dat die vernietiging geen nadeel toebrengt aan de rechten door partijen verkregen.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiser] is op 1 januari 2000 in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) Ciris. Bij aandeelhoudersbesluit van 17 juni 2002 is [eiser] benoemd tot statutair bestuurder van Ciris.
(ii) Bij brief van 13 augustus 2003 is [eiser] uitgenodigd voor het bijwonen van een algemene vergadering van aandeelhouders op 18 augustus 2003 in verband met een voorgenomen ontslag van [eiser] als directeur/bestuurder van Ciris.
(iii) Bij brief van 13 augustus 2003 heeft de raadsman van [eiser] aan Ciris onder meer geschreven:
"(...) namens cliënt meld ik u wel reeds dat hij zijn ontslag neemt als bestuurder van de vennootschap, één en ander overigens met instandhouding van de arbeidsrechtelijke relatie. Ik verzoek u dan ook om cliënt per omgaande als bestuurder uit de Kamer van Koophandel uit te schrijven."
(iv) Ciris heeft de salarisbetaling aan [eiser] per 14 augustus 2003 stopgezet.
3.2 [Eiser] heeft Ciris in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam. Hij heeft gevorderd Ciris te veroordelen, kort gezegd, tot betaling van het verschuldigde salaris en toelating van hem tot zijn werk. Daaraan heeft [eiser], voorzover hier van belang, ten grondslag gelegd dat Ciris de loonbetalingen ten onrechte heeft stopgezet op de grond dat hij na zijn ontslagname niet meer bij Ciris in dienst is, nu de arbeidsrechtelijke relatie na het neerleggen van zijn statutaire positie in stand is gebleven. Ciris heeft de vordering bestreden.
3.3 Bij vonnis van 9 oktober 2003 - waartegen een gewoon rechtsmiddel niet meer openstaat - heeft de voorzieningenrechter Ciris veroordeeld tot betaling van het [eiser] toekomende salaris totdat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd en haar bevolen [eiser] toe te laten tot het werk op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daartoe is in het vonnis onder meer overwogen (rov. 5):
"Wanneer een natuurlijk persoon als bestuurder van een besloten vennootschap is benoemd en zijn werkzaamheden krachtens arbeidsovereenkomst verricht, brengt een bij (geldig) besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap aan hem als bestuurder verleend ontslag ingevolge artikel 2:244 lid 1 BW mee dat hij de hoedanigheid van bestuurder verliest en dus geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer kan uitoefenen. Dit hoeft echter niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit ook geldt in het (niet zo vaak voorkomende) geval dat hier speelt, waarbij betrokkene zelf zijn functie als statutair bestuurder neerlegt. De stelling dat het neerleggen van zijn functie als statutair bestuurder automatisch het einde van de dienstbetrekking van [eiser] met Ciris heeft meegebracht, kan de voorzieningenrechter dan ook niet volgen, te minder nu in de brief van 13 augustus 2003 van zijn raadsman [eiser] expliciet te kennen heeft gegeven dat deze beëindiging niet ziet op zijn arbeidsrechtelijke relatie (zie 1.g.). Voorshands dient dan ook van het bestaan van de dienstbetrekking tussen [eiser] en Ciris te worden uitgegaan, nu noch [eiser] noch Ciris tot beëindiging hiervan is overgegaan."
3.4 Het middel behelst de klacht dat de voorzieningenrechter ten onrechte, in strijd met art. 2:244 BW, heeft geoordeeld dat ontslagneming door de statutair directeur van een besloten vennootschap niet tevens het einde van zijn arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft.
3.5.1 Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.
3.5.2 Wanneer een natuurlijke persoon die als bestuurder van de naamloze of besloten vennootschap is benoemd en - zoals veelal het geval is en hier door de voorzieningenrechter is aangenomen - krachtens arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden verricht, bij een geldig besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap als bestuurder ontslag is verleend, verliest hij ingevolge art. 2:134 lid 1 BW onderscheidenlijk art. 2:244 lid 1 BW de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap en kan hij geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer uitoefenen, maar behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat ook de dienstbetrekking eindigt. Het antwoord op de vraag welke gevolgen het ontslagbesluit heeft voor de arbeidsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschap, moet worden gegeven aan de hand van het bepaalde in de arbeidsovereenkomst en in de op arbeidsovereenkomsten toepasselijke wetsbepalingen, voor zover Boek 2 BW deze wetsbepalingen niet uitdrukkelijk terzijde stelt (zie: HR 13 november 1992, nr. 151146, NJ 1993, 265).
3.5.3 Naar mede blijkt uit de wetsgeschiedenis van (de voorloper van) de art. 2:134 en 2:244 BW (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9), strekken deze bepalingen ertoe te bewerkstellingen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Daarom heeft te gelden dat een ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat (vgl. HR 17 november 1995, rek. nr. 8746, NJ 1996, 142) of indien partijen anders zijn overeengekomen.
3.5.4 De statutaire bestuurder van een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap kan eenzijdig zijn functie neerleggen; aanvaarding van zijn ontslagneming is geen vereiste voor de effectuering daarvan (vgl. HR 8 december 1989, rek. nr. 7405, NJ 1990, 452).
3.5.5 Het strookt met het onder 3.5.3 voor het daar bedoelde geval geformuleerde uitgangspunt aan te nemen dat ook de ontslagneming door de statutaire bestuurder in beginsel tot gevolg heeft dat zijn dienstbetrekking eindigt. Daaruit vloeit tevens voort dat niet kan worden aanvaard dat de bestuurder, die zijn functie neerlegt, die ontslagneming eenzijdig kan beperken tot het verlies van de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap met instandhouding van de dienstbetrekking.
3.6 Gelet op het vorenstaande is het middel gegrond. Het oordeel van de voorzieningenrechter, dat is gebaseerd op het uitgangspunt dat het neerleggen van de functie als statutaire bestuurder niet tevens het einde van de dienstbetrekking tot gevolg heeft, getuigt immers van een onjuiste rechtsopvatting.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt, in het belang der wet, het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 9 oktober 2003;
verstaat dat deze vernietiging geen nadeel toebrengt aan de rechten door partijen verkregen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 15 april 2005.