Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2005:AR6821
2005-10-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
40244
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2005:AR6821 → ECLI:NL:GHSHE:2003:AL8394
- conclusie ECLI:NL:HR:2005:AR6821 → ECLI:NL:PHR:2005:AR6821
Inhoudsindicatie
Bron van inkomen? Uurvergoeding vrijwillige politie: belastbaar?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (63)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1598 Gerechtshof Den Haag 13-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2403 Gerechtshof Den Haag 29-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3679 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3678 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3680 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1563 Rechtbank Gelderland 17-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:7092 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:7097 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-11-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3468 Gerechtshof Amsterdam 12-12-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2046 Gerechtshof Den Haag 17-10-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2406 Gerechtshof Amsterdam 29-08-2023
- ECLI:NL:OGHACMB:2023:182 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 27-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1035 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1518 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:10939 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-12-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2022:345 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 14-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:7512 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-08-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2022:155 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 03-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2098 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-04-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:706 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:404 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-01-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2886 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4157 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:670 Gerechtshof Den Haag 08-04-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:628 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:1245 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:8469 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-10-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:5155 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-10-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6946 Rechtbank Noord-Holland 02-09-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:4814 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-06-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:881 Gerechtshof Den Haag 28-04-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:2707 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-04-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:1860 Rechtbank Gelderland 18-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:238 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-01-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:10314 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-12-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:9861 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-11-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:4690 Gerechtshof Amsterdam 24-09-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:7584 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-09-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3106 Gerechtshof Amsterdam 22-08-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2248 Gerechtshof Amsterdam 02-07-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6734 Rechtbank Den Haag 01-07-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:1093 Rechtbank Gelderland 14-03-2019
- ECLI:NL:RBZWB:2019:1630 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-02-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3123 Gerechtshof Den Haag 13-11-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3124 Gerechtshof Den Haag 13-11-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:8807 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-10-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1457 Gerechtshof Den Haag 18-04-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1188 Gerechtshof Den Haag 20-03-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1188 Gerechtshof Den Haag 20-03-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:4036 Gerechtshof Den Haag 23-01-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:4036 Gerechtshof Den Haag 23-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2017:11197 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5453 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-12-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:10336 Rechtbank Den Haag 01-09-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:6155 Rechtbank Den Haag 07-06-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1060 Gerechtshof Den Haag 19-04-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:2854 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-04-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:881 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-03-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3284 Gerechtshof Den Haag 02-11-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (5.434 tekens)
Nr. 40.244
14 oktober 2005
AB
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2003, nr. 01/01741, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 8845, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een conclusie van repliek heeft belanghebbende nog een geschrift met bijlage ingediend. Daarop slaat de Hoge Raad geen acht.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 19 oktober 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in het onderhavige jaar vrijwillig ambtenaar van politie. Als zodanig verrichtte hij politiediensten en nam hij deel aan oefeningen en cursussen. Daarvoor ontving hij een vergoeding van ƒ 7,50 per uur. Van de uurvergoedingen werd per activiteit (werkelijke dienst, oefening of cursus) een bedrag van ƒ 5 belastingvrij toegekend als vaste onkostenvergoeding, ongeacht het aantal uren dat met de desbetreffende activiteit gemoeid was. Voor het overige werden de uurvergoedingen in de inhouding en afdracht van loonbelasting/premie volksverzekeringen betrokken; in het onderhavige jaar betrof dat een totaal van ƒ 1815. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur dat bedrag van ƒ 1815 tot het (bruto) loon uit dienstbetrekking gerekend. Voor het Hof was in geschil of voormeld bedrag van ƒ 1815 terecht is aangemerkt als loon uit dienstbetrekking.
3.2. In onderdeel 4.1 van zijn uitspraak heeft het Hof, na te hebben vastgesteld dat belanghebbende een publiekrechtelijke dienstbetrekking vervulde, geoordeeld dat sprake is van een bron van inkomen. Het heeft daarbij verwezen naar artikel 1 en artikel 2, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964.
3.3. Onderdeel a van het middel betoogt terecht dat, anders dan het Hof klaarblijkelijk heeft gemeend, het bestaan van een bron van inkomen niet mag worden aangenomen op de enkele grond dat sprake is van een publiekrechtelijke dienstbetrekking. Belanghebbende heeft voor het Hof onder meer - voorzover in cassatie van belang - aangevoerd dat de uurvergoeding van ƒ 7,50 niet kostendekkend is. Daarin ligt besloten de stelling dat hij zijn activiteiten als politievrijwilliger niet verricht in de sfeer van de inkomstenverwerving, maar in die van de inkomstenbesteding. In het licht van deze stelling mocht het Hof niet tot zijn voormeld oordeel komen zonder te onderzoeken of de betrokken activiteiten voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn, dan wel daarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij belanghebbende positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren. Deze toets dient ook te worden aangelegd indien de werkzaamheden en diensten in een bepaald jaar een netto voordeel hebben opgeleverd - welk geval zich te dezen voordoet, gelet op 's Hofs in cassatie niet bestreden vaststellingen, waaronder die in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak -, maar niettemin de vraag aan de orde wordt gesteld of dat voordeel aan heffing van inkomstenbelasting is onderworpen (vgl. HR 1 februari 2002, nr. 36238, BNB 2002/128, onderdeel 3.3).
3.4. Onderdeel a van het middel slaagt. Verwijzing moet volgen. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De overige onderdelen van het middel behoeven geen behandeling. De hierin aan de orde gestelde vragen kunnen, voorzover nodig, na verwijzing aan de orde komen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2005.
14 oktober 2005
AB
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2003, nr. 01/01741, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 8845, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een conclusie van repliek heeft belanghebbende nog een geschrift met bijlage ingediend. Daarop slaat de Hoge Raad geen acht.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 19 oktober 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in het onderhavige jaar vrijwillig ambtenaar van politie. Als zodanig verrichtte hij politiediensten en nam hij deel aan oefeningen en cursussen. Daarvoor ontving hij een vergoeding van ƒ 7,50 per uur. Van de uurvergoedingen werd per activiteit (werkelijke dienst, oefening of cursus) een bedrag van ƒ 5 belastingvrij toegekend als vaste onkostenvergoeding, ongeacht het aantal uren dat met de desbetreffende activiteit gemoeid was. Voor het overige werden de uurvergoedingen in de inhouding en afdracht van loonbelasting/premie volksverzekeringen betrokken; in het onderhavige jaar betrof dat een totaal van ƒ 1815. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur dat bedrag van ƒ 1815 tot het (bruto) loon uit dienstbetrekking gerekend. Voor het Hof was in geschil of voormeld bedrag van ƒ 1815 terecht is aangemerkt als loon uit dienstbetrekking.
3.2. In onderdeel 4.1 van zijn uitspraak heeft het Hof, na te hebben vastgesteld dat belanghebbende een publiekrechtelijke dienstbetrekking vervulde, geoordeeld dat sprake is van een bron van inkomen. Het heeft daarbij verwezen naar artikel 1 en artikel 2, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964.
3.3. Onderdeel a van het middel betoogt terecht dat, anders dan het Hof klaarblijkelijk heeft gemeend, het bestaan van een bron van inkomen niet mag worden aangenomen op de enkele grond dat sprake is van een publiekrechtelijke dienstbetrekking. Belanghebbende heeft voor het Hof onder meer - voorzover in cassatie van belang - aangevoerd dat de uurvergoeding van ƒ 7,50 niet kostendekkend is. Daarin ligt besloten de stelling dat hij zijn activiteiten als politievrijwilliger niet verricht in de sfeer van de inkomstenverwerving, maar in die van de inkomstenbesteding. In het licht van deze stelling mocht het Hof niet tot zijn voormeld oordeel komen zonder te onderzoeken of de betrokken activiteiten voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn, dan wel daarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij belanghebbende positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren. Deze toets dient ook te worden aangelegd indien de werkzaamheden en diensten in een bepaald jaar een netto voordeel hebben opgeleverd - welk geval zich te dezen voordoet, gelet op 's Hofs in cassatie niet bestreden vaststellingen, waaronder die in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak -, maar niettemin de vraag aan de orde wordt gesteld of dat voordeel aan heffing van inkomstenbelasting is onderworpen (vgl. HR 1 februari 2002, nr. 36238, BNB 2002/128, onderdeel 3.3).
3.4. Onderdeel a van het middel slaagt. Verwijzing moet volgen. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De overige onderdelen van het middel behoeven geen behandeling. De hierin aan de orde gestelde vragen kunnen, voorzover nodig, na verwijzing aan de orde komen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2005.