Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2004:AR3099
2004-10-01
Bestuursrecht; Belastingrecht
38967
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2004:AR3099 → ECLI:NL:GHARN:2002:AF3201
Inhoudsindicatie
Artikel 58, lid 1, Algemene wet bestuursrecht. Indienen stukken voor de zitting.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (41)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1940 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1722 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1533 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2025:5330 Rechtbank Midden-Nederland 03-10-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:7311 Rechtbank Noord-Holland 05-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:966 Gerechtshof Den Haag 27-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2188 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:266 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:265 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8212 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2332 Gerechtshof Den Haag 12-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2523 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-08-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2232 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2225 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2224 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2222 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2193 Gerechtshof Den Haag 24-10-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2022:7332 Rechtbank Gelderland 20-12-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:7365 Rechtbank Gelderland 20-12-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:7364 Rechtbank Gelderland 19-12-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:7208 Rechtbank Noord-Holland 15-07-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:643 Rechtbank Gelderland 08-02-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2021:6209 Rechtbank Gelderland 22-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6027 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6031 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4943 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-05-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4942 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-05-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4944 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-05-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4152 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-04-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4153 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-04-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2264 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4379 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-11-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3089 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-08-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:795 Parket bij de Hoge Raad 30-07-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4632 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-11-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4633 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-11-2018
- ECLI:NL:RBNNE:2018:4367 Rechtbank Noord-Nederland 01-11-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1787 Gerechtshof Den Haag 17-07-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2017:13708 Rechtbank Den Haag 23-11-2017
- ECLI:NL:GHARL:2015:3788 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-05-2015
- ECLI:NL:GHARL:2015:3787 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-05-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (4.743 tekens)
Nr. 38.967
1 oktober 2004
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 december 2002, nr. 01/02547, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1992 tot en met 1995 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van respectievelijk ƒ 17.545, ƒ 23.061, ƒ 12.669 en ƒ 15.760, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 toepassing vindt op twee van tot belanghebbendes handelsvoorraad deel uitmakende personenauto's, nu naar het oordeel van het Hof niet overtuigend is aangetoond dat de auto's ieder voor minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden zijn gebruikt. Het Hof heeft het aanbod van belanghebbende om ter zitting alsnog een kilometeradministratie over te leggen als zijnde tardief gepasseerd, nu belanghebbende niet bij zijn beroepschrift of tijdig voor de zitting de kilometeradministratie heeft overgelegd, hoewel hij vanaf de ontvangst van het rapport van het boekenonderzoek, gedagtekend 13 november 1997, maar in ieder geval vanaf de ontvangst van de brief van de Inspecteur van 11 juli 2001, welke belanghebbende heeft ontvangen, wist of kon weten op welke wijze de bijtelling kon worden voorkomen.
3.2. Tegen dit oordeel keert het middel zich met het betoog dat het Hof belanghebbende ter zitting had moeten toelaten de door hem opgestelde kilometeradministratie over te leggen en dat belanghebbende niet verweten kan worden die administratie niet eerder aan de Inspecteur te hebben overgelegd, daar, toen belanghebbende eenmaal wist dat die administratie voor de zaak van belang was, hem van de zijde van de belastingadministratie is meegedeeld dat hij daar geen stukken meer kon indienen.
3.3. Artikel 8:58, lid 1, Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. De bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen.. Uit de strekking van die bepaling volgt dat de rechter - binnen het kader van een goede procesorde - de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten. Het Hof heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat het alsnog overleggen van een kilometeradministratie ter zitting tardief was. De door het Hof daarvoor doorslaggevend geoordeelde omstandigheid dat de Inspecteur al eerder had gewezen op de mogelijkheid die bewijsstukken over te leggen, is voor dat oordeel onvoldoende redengevend. Het middel slaagt derhalve.
3.4. Uit hetgeen hiervóór in 3.3 is overwogen volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, J.W. van den Berge en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2004.
1 oktober 2004
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 december 2002, nr. 01/02547, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1992 tot en met 1995 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van respectievelijk ƒ 17.545, ƒ 23.061, ƒ 12.669 en ƒ 15.760, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 toepassing vindt op twee van tot belanghebbendes handelsvoorraad deel uitmakende personenauto's, nu naar het oordeel van het Hof niet overtuigend is aangetoond dat de auto's ieder voor minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden zijn gebruikt. Het Hof heeft het aanbod van belanghebbende om ter zitting alsnog een kilometeradministratie over te leggen als zijnde tardief gepasseerd, nu belanghebbende niet bij zijn beroepschrift of tijdig voor de zitting de kilometeradministratie heeft overgelegd, hoewel hij vanaf de ontvangst van het rapport van het boekenonderzoek, gedagtekend 13 november 1997, maar in ieder geval vanaf de ontvangst van de brief van de Inspecteur van 11 juli 2001, welke belanghebbende heeft ontvangen, wist of kon weten op welke wijze de bijtelling kon worden voorkomen.
3.2. Tegen dit oordeel keert het middel zich met het betoog dat het Hof belanghebbende ter zitting had moeten toelaten de door hem opgestelde kilometeradministratie over te leggen en dat belanghebbende niet verweten kan worden die administratie niet eerder aan de Inspecteur te hebben overgelegd, daar, toen belanghebbende eenmaal wist dat die administratie voor de zaak van belang was, hem van de zijde van de belastingadministratie is meegedeeld dat hij daar geen stukken meer kon indienen.
3.3. Artikel 8:58, lid 1, Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. De bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen.. Uit de strekking van die bepaling volgt dat de rechter - binnen het kader van een goede procesorde - de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten. Het Hof heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat het alsnog overleggen van een kilometeradministratie ter zitting tardief was. De door het Hof daarvoor doorslaggevend geoordeelde omstandigheid dat de Inspecteur al eerder had gewezen op de mogelijkheid die bewijsstukken over te leggen, is voor dat oordeel onvoldoende redengevend. Het middel slaagt derhalve.
3.4. Uit hetgeen hiervóór in 3.3 is overwogen volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, J.W. van den Berge en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2004.