Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2004:AR3043
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2004:AR3043 → ECLI:NL:PHR:2004:AR3043
Inhoudsindicatie
Rechtspersoon als benadeelde partij en vertegenwoordigingsbevoegdheid ondertekenaar voegingsformulier. Het hof heeft het i.c. gevoerde verweer kennelijk niet opgevat als een gemotiveerde betwisting van de bevoegdheid van X om rechtspersoon Y te dezer zake te vertegenwoordigen. Dat is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het verweer slechts de enkele - niet met enig concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van X gemotiveerde - stelling inhoudt dat "het voegingsformulier niet is ondertekend door een gemachtigde", het formulier door X is ondertekend namens de benadeelde partij (rechtspersoon Y) en de in art. 51e.2 Sv bedoelde bijzondere volmacht niet is vereist als X als vestigingsmanager van rechtspersoon Y te dezer zake optreedt namens de rechtspersoon.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (30)
- ECLI:NL:RBOBR:2026:6531 Rechtbank Oost-Brabant 10-09-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2514 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2514 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3315 Rechtbank Amsterdam 02-04-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2025:7561 Rechtbank Overijssel 24-12-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4904 Rechtbank Noord-Nederland 04-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5315 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-08-2025
- ECLI:NL:HR:2025:523 Hoge Raad 15-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:835 Parket bij de Hoge Raad 27-08-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:835 Parket bij de Hoge Raad 27-08-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:835 Parket bij de Hoge Raad 27-08-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:3370 Rechtbank Oost-Brabant 17-07-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2021:7292 Rechtbank Gelderland 22-12-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4463 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-09-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1643 Gerechtshof Amsterdam 07-06-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:592 Rechtbank Rotterdam 26-01-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5038 Rechtbank Midden-Nederland 19-11-2020
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5061 Rechtbank Midden-Nederland 19-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:527 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:527 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:527 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:527 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:813 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:813 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1217 Parket bij de Hoge Raad 06-11-2018
- ECLI:NL:HR:2018:2006 Hoge Raad 30-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1210 Parket bij de Hoge Raad 28-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1210 Parket bij de Hoge Raad 28-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2015:2705 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2015
- ECLI:NL:RBROT:2015:3488 Rechtbank Rotterdam 20-05-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (5.264 tekens)
Strafkamer
nr. 02876/03
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 maart 2003, nummer 22/003484-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Dordrecht van 24 mei 2002 - de verdachte ter zake van "diefstal, meermalen gepleegd" veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.E.M. van der Gun, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voorzover daarin de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, tot vernietiging in zoverre van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een aangrenzend hof, dat zich opnieuw over de vordering van de benadeelde partij zal dienen te buigen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte de benadeelde partij ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering.
3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 februari 2003 heeft de raadsvrouwe van de verdachte daar - voorzover hier van belang - het volgende aangevoerd:
"Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij dient gewezen te worden op het feit dat het voegingsformulier niet is ondertekend door een gemachtigde en derhalve niet naar behoren is ingevuld. De benadeelde partij is mitsdien niet-ontvankelijk in haar vordering."
3.3.1. Bij de stukken van het geding bevindt zich een 'Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces'. Dit formulier houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, onder het kopje '1. Benadeelde' in: "[A] (...) Sliedrecht" en bevat onder het kopje '6. Ondertekening Benadeelde' als naam van de ondertekenaar: "[betrokkene 1]". Dit voegingsformulier bevat voorts onder het kopje '2. Gemachtigde van benadeelde' ruimte voor het invullen van de persoonsgegevens van een gemachtigde en onder het kopje '6.
Ondertekening Machtiging' ruimte voor het verlenen van een machtiging door de benadeelde partij aan een derde "om hem/haar te vertegenwoordigen in de voegingsprocedure"; deze gedeelten zijn niet ingevuld. Tot het dossier behoort ook een ten parkette van de Officier van Justitie ingekomen 'Antwoordformulier', dat onder meer inhoudt dat [A] te Sliedrecht mededeelt dat zij wenst dat de verdachte de schade vergoedt, welk formulier tevens het gegeven bevat dat [betrokkene 1] vestigingsmanager is van [A] B.V. te Sliedrecht.
3.3.2. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat "uit de stukken niet valt op te maken of deze [betrokkene 1] als bestuurder dan wel als vertegenwoordiger optreedt van de rechtspersoon en of hij in laatst genoemde geval daartoe bijzonder is gemachtigd" en daaraan wordt de conclusie verbonden dat het Hof ten onrechte aan deze stelling is voorbijgegaan. Het Hof heeft het onder 3.2 weergegeven verweer kennelijk niet opgevat als inhoudende een gemotiveerde betwisting van de bevoegdheid van [betrokkene 1] om [A] te dezer zake te vertegenwoordigen. Dat is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het verweer slechts de enkele - niet met enig concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 1] gemotiveerde - stelling inhoudt dat "het voegingsformulier niet is ondertekend door een gemachtigde", het formulier door [betrokkene 1] is ondertekend namens de benadeelde partij en de in art. 51e, tweede lid, Sv bedoelde bijzondere volmacht niet is vereist als - zoals het Hof kennelijk, gelijk het kon doen, heeft geoordeeld - [betrokkene 1] als vestigingsmanager van [A] te dezer zake optreedt namens de rechtspersoon. De in het middel betrokken stelling kan, waar zij een onderzoek van feitelijk aard vergt, niet voor het eerst in cassatie worden ingenomen.
3.4. Het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 16 november 2004.