Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2004:AP1368
2004-06-11
Bestuursrecht; Belastingrecht
39009
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 6:11 Awb. Wet WOZ. Later ontdekte betonrot. Termijnoverschrijding in casu niet verschoonbaar.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (63)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8667 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-09-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6005 Rechtbank Gelderland 22-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4791 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:907 Hoge Raad 25-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5186 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4604 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:463 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:463 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2641 Rechtbank Gelderland 08-04-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:736 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1296 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:766 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:302 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:304 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:232 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2835 Gerechtshof Den Haag 02-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8451 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7219 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7220 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4557 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11718 Rechtbank Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2333 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2249 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:216 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:217 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:152 Gerechtshof Den Haag 15-01-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2024:187 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 15-11-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:7174 Rechtbank Limburg 14-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4544 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4112 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2915 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1984 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-03-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2023:7214 Rechtbank Limburg 30-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7832 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-11-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:4217 Rechtbank Noord-Nederland 17-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:10430 Rechtbank Den Haag 07-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:571 Parket bij de Hoge Raad 09-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:160 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:95 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6278 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5251 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-09-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4067 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3437 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:481 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5932 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4030 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-08-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:2696 Rechtbank Gelderland 01-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:938 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-02-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2020:46 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 16-03-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:250 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-01-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:8930 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-10-2019
- ECLI:NL:OGEAC:2019:229 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 03-10-2019
- ECLI:NL:RBZWB:2019:4258 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-10-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:876 Rechtbank Gelderland 15-02-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:268 Rechtbank Gelderland 25-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2018:9882 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-11-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4891 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-11-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:1968 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:966 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2016:1974 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-03-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.088 tekens)
Nr. 39.009
11 juni 2004
wv
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad te Zaandijk (hierna: B en W) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 februari 2002, nr. 01/0222, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 206.000.
Belanghebbende heeft bij brief van 15 november 2000 de gemeente verzocht op grond van artikel 19, lid 1, letter c, Wet waardering onroerende zaken (tekst tot en met 31 december 1998; hierna: Wet WOZ) een nieuwe beschikking af te geven. Bij uitspraak van 4 december 2000 heeft het Hoofd Afdeling heffing en invordering van de gemeente Zaanstad (hierna: het Hoofd) het verzoek afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het Hoofd vernietigd en de waarde nader vastgesteld op ƒ 191.000 (€ 86.672). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
B en W hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
B en W hebben een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Bij beschikking, gedagtekend 25 februari 1997, is de waarde van belanghebbendes woning voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 206.000. Medio 2000 is gebleken dat vloerelementen op de begane grond van belanghebbendes woning zijn aangetast door betonrot. Naar aanleiding daarvan heeft belanghebbende bij brief van 15 november 2000 de gemeente verzocht op grond van artikel 19, lid 1, letter c, Wet WOZ de waarde opnieuw vast te stellen rekening houdend met een waardedrukkend effect van de betonrot. Dit verzoek is afgewezen.
3.2. Het Hof heeft het betoog van belanghebbende aldus opgevat dat belanghebbende tevens bezwaar maakt tegen de waarde voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000, vastgesteld bij de begin 1997 genomen beschikking. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld:
Tegen die beschikking is destijds geen bezwaar gemaakt. Belanghebbende stelt echter niet eerder bezwaar te hebben kunnen maken omdat de betonrot pas kort voor 15 november 2000 bekend is geworden. Verweerder heeft zulks niet bestreden. Gelet op het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht kan onder die omstandigheden naar 's Hofs oordeel redelijkerwijze niet worden geoordeeld dat belanghebbende ten aanzien van het op 15 november 2000 ingediende bezwaarschrift in verzuim is geweest en dient niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de beschikking wegens termijnoverschrijding achterwege te blijven.
Tegen dit oordeel richt zich de eerste klacht, waarin wordt betoogd dat het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet is bedoeld voor een geval als hier aan de orde.
3.3. De klacht slaagt. Bij zijn voormelde oordeel is het Hof kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat artikel 6:11 Awb ziet op gevallen waarin de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, doet zich hier zodanig geval evenwel niet voor. De stukken van het geding laten immers geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende wel in staat was om binnen de wettelijke bezwaartermijn tegen de waardebeschikking bezwaar te maken, maar dat niet heeft gedaan omdat zij daartoe (binnen de bezwaartermijn) geen reden had. Een nadien opgekomen reden kan niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.
3.4. Reeds op grond van het hiervoor onder 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De overige klachten behoeven geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2004.
11 juni 2004
wv
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad te Zaandijk (hierna: B en W) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 februari 2002, nr. 01/0222, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 206.000.
Belanghebbende heeft bij brief van 15 november 2000 de gemeente verzocht op grond van artikel 19, lid 1, letter c, Wet waardering onroerende zaken (tekst tot en met 31 december 1998; hierna: Wet WOZ) een nieuwe beschikking af te geven. Bij uitspraak van 4 december 2000 heeft het Hoofd Afdeling heffing en invordering van de gemeente Zaanstad (hierna: het Hoofd) het verzoek afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het Hoofd vernietigd en de waarde nader vastgesteld op ƒ 191.000 (€ 86.672). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
B en W hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
B en W hebben een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Bij beschikking, gedagtekend 25 februari 1997, is de waarde van belanghebbendes woning voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 206.000. Medio 2000 is gebleken dat vloerelementen op de begane grond van belanghebbendes woning zijn aangetast door betonrot. Naar aanleiding daarvan heeft belanghebbende bij brief van 15 november 2000 de gemeente verzocht op grond van artikel 19, lid 1, letter c, Wet WOZ de waarde opnieuw vast te stellen rekening houdend met een waardedrukkend effect van de betonrot. Dit verzoek is afgewezen.
3.2. Het Hof heeft het betoog van belanghebbende aldus opgevat dat belanghebbende tevens bezwaar maakt tegen de waarde voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000, vastgesteld bij de begin 1997 genomen beschikking. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld:
Tegen die beschikking is destijds geen bezwaar gemaakt. Belanghebbende stelt echter niet eerder bezwaar te hebben kunnen maken omdat de betonrot pas kort voor 15 november 2000 bekend is geworden. Verweerder heeft zulks niet bestreden. Gelet op het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht kan onder die omstandigheden naar 's Hofs oordeel redelijkerwijze niet worden geoordeeld dat belanghebbende ten aanzien van het op 15 november 2000 ingediende bezwaarschrift in verzuim is geweest en dient niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de beschikking wegens termijnoverschrijding achterwege te blijven.
Tegen dit oordeel richt zich de eerste klacht, waarin wordt betoogd dat het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet is bedoeld voor een geval als hier aan de orde.
3.3. De klacht slaagt. Bij zijn voormelde oordeel is het Hof kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat artikel 6:11 Awb ziet op gevallen waarin de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, doet zich hier zodanig geval evenwel niet voor. De stukken van het geding laten immers geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende wel in staat was om binnen de wettelijke bezwaartermijn tegen de waardebeschikking bezwaar te maken, maar dat niet heeft gedaan omdat zij daartoe (binnen de bezwaartermijn) geen reden had. Een nadien opgekomen reden kan niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.
3.4. Reeds op grond van het hiervoor onder 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De overige klachten behoeven geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2004.