Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2004:AP1274

2004-07-09 Civiel recht R04/059HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2004-07-09
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
R04/059HR
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | JOL 2004, 390 | JWB 2004/269

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

9 juli 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R04/059HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [klager], wonende te [woonplaats], KLAGER. 1. Het beklag...

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.413 tekens)
9 juli 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/059HR
JMH


Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:


[klager],
wonende te [woonplaats],
KLAGER.


1. Het beklag


Met een op 9 mei 2002 ten parkette van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ingekomen brief heeft klager - verder te noemen: [klager] - zich gewend tot de hoofdofficier aldaar en verzocht een strafvervolging in te stellen tegen de toenmalig minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties K.G. de Vries.
De hoofdofficier van justitie heeft bij brief van 11 juni 2002 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [klager] bij brief van 24 juli 2002 (ingekomen 26 juli 2002) beklag gedaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 20 oktober 2003 heeft het hof zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van het beklag en het beklag naar de Hoge Raad verwezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [klager] in zijn beklag.


2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag

Het beklag betreft weliswaar een strafbaar feit waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt - te weten een door de beklaagde in zijn hoedanigheid van minister beweerdelijk gepleegd ambtsmisdrijf als bedoeld in art. 76 RO - maar de opdracht tot vervolging ter zake van een zodanig ambtsmisdrijf kan slechts worden gegeven bij Koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Gr.w; art. 4-19 Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden 1 en 2 Sv.), derhalve niet door de Hoge Raad. Nu de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van een ambtsmisdrijf als door klager bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk. Dit brengt mee dat oproeping van klager achterwege kan blijven (HR 20 maart 1998, nr. 9076, NJ 1998, 549).

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 juli 2004.