Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2004:AO9898
2004-07-09
Civiel recht
C02/248HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2004:AO9898 → ECLI:NL:PHR:2004:AO9898
Inhoudsindicatie
9 juli 2004 Eerste Kamer Nr. C02/248HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. L.A. van der Niet, t e g e n Mr. Daniël Gerard LASSCHUIT, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. D.G. Lasschuit. 1. Het verloop van het geding...
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.012 tekens)
9 juli 2004
Eerste Kamer
Nr. C02/248HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. L.A. van der Niet,
t e g e n
Mr. Daniël Gerard LASSCHUIT, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D.G. Lasschuit.
1. Het verloop van het geding
De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 2 mei 2003, LJN AF5892, voor het daaraan voorafgegane verloop van het geding. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad de incidentele vordering van eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - toegewezen en de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord.
In de hoofdzaak heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - vervolgens geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 476,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 juli 2004.
Eerste Kamer
Nr. C02/248HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. L.A. van der Niet,
t e g e n
Mr. Daniël Gerard LASSCHUIT, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D.G. Lasschuit.
1. Het verloop van het geding
De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 2 mei 2003, LJN AF5892, voor het daaraan voorafgegane verloop van het geding. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad de incidentele vordering van eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - toegewezen en de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord.
In de hoofdzaak heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - vervolgens geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 476,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 juli 2004.