Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2004:AO9131
2004-09-28
Strafrecht
03031/03
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2004:AO9131 → ECLI:NL:PHR:2004:AO9131
Inhoudsindicatie
De opvatting dat andere geschriften ex art. 344.1.5 Sv slechts tot het bewijs mogen meewerken indien zij in verband staan met bewijsmiddelen die zelf geen andere geschriften zijn, is onjuist. Of het andere bewijsmiddel voldoende steun geeft aan het "andere geschrift" is niet afhankelijk van de aard van dat andere bewijsmiddel. De enkele omstandigheid dat dit steun biedende bewijsmiddel een ander geschrift is, is niet doorslaggevend.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (27)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17197 Rechtbank Den Haag 25-06-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4301 Rechtbank Gelderland 19-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2836 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1766 Gerechtshof Den Haag 27-08-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:1215 Rechtbank Overijssel 04-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3117 Rechtbank Den Haag 21-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2004 Rechtbank Den Haag 14-02-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2024:7749 Rechtbank Gelderland 07-11-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:7551 Rechtbank Gelderland 22-10-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:7533 Rechtbank Gelderland 22-10-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:7357 Rechtbank Gelderland 22-10-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:7540 Rechtbank Gelderland 22-10-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2959 Rechtbank Overijssel 05-06-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:1035 Rechtbank Overijssel 29-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:15352 Rechtbank Den Haag 12-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:15350 Rechtbank Den Haag 12-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:15404 Rechtbank Den Haag 12-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:15351 Rechtbank Den Haag 12-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:15086 Rechtbank Den Haag 12-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:163 Parket bij de Hoge Raad 07-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2020:364 Parket bij de Hoge Raad 14-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:878 Parket bij de Hoge Raad 04-06-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:827 Parket bij de Hoge Raad 02-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:827 Parket bij de Hoge Raad 02-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:29 Parket bij de Hoge Raad 03-01-2017
- ECLI:NL:PHR:2015:603 Parket bij de Hoge Raad 17-03-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:1725 Parket bij de Hoge Raad 01-07-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (4.125 tekens)
28 september 2004
Strafkamer
nr. 03031/03
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 4 juli 2003, nummer 21/001659-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1962, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 20 juni 2000, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. "het medeplegen van: om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en anderen trachten te bewegen om dat feit mede te plegen; meermalen gepleegd" en 2. "(de Hoge Raad leest: het medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed, nu voor het bewijs daarvan alleen andere geschriften in de zin van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv zijn gebezigd die niet in verband staan met andere bewijsmiddelen.
3.2. Het Hof heeft onder 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 21 t/m 23 oktober 1996, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk een hoeveelheid (ongeveer 6 kilo) van een stof bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, heeft verkocht en afgeleverd aan [betrokkene 1]."
3.3. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op geschriften die de weergave - al dan niet in samengevatte vorm - behelzen van een aantal door de politie afgeluisterde telefoongesprekken. Het Hof heeft deze geschriften blijkens de aanvulling op het verkorte arrest gebezigd als andere geschriften als bedoeld in art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv.
3.4. Het middel steunt op de opvatting dat geschriften als de onderhavige slechts tot het bewijs mogen meewerken indien zij in verband staan met bewijsmiddelen die zelf niet hebben te gelden als andere geschriften in de zin van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv. Die opvatting is echter onjuist. Of het andere bewijsmiddel voldoende steunt geeft aan het "andere geschrift" is niet afhankelijk van de aard van dat andere bewijsmiddel. De enkele omstandigheden dat dit steun biedende bewijsmiddel een andere geschrift is in bovenbedoelde zin, is dus niet doorslaggevend. Noch de tekst van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv noch het bewijsstelsel van het Wetboek van Strafvordering dat de feitenrechter een grote vrijheid laat bij de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal, verzet zich tegen deze uitleg. Het middel faalt derhalve.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings, G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S. Bakker, en uitgesproken op 28 september 2004.
Strafkamer
nr. 03031/03
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 4 juli 2003, nummer 21/001659-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1962, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 20 juni 2000, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. "het medeplegen van: om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en anderen trachten te bewegen om dat feit mede te plegen; meermalen gepleegd" en 2. "(de Hoge Raad leest: het medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed, nu voor het bewijs daarvan alleen andere geschriften in de zin van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv zijn gebezigd die niet in verband staan met andere bewijsmiddelen.
3.2. Het Hof heeft onder 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 21 t/m 23 oktober 1996, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk een hoeveelheid (ongeveer 6 kilo) van een stof bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, heeft verkocht en afgeleverd aan [betrokkene 1]."
3.3. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op geschriften die de weergave - al dan niet in samengevatte vorm - behelzen van een aantal door de politie afgeluisterde telefoongesprekken. Het Hof heeft deze geschriften blijkens de aanvulling op het verkorte arrest gebezigd als andere geschriften als bedoeld in art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv.
3.4. Het middel steunt op de opvatting dat geschriften als de onderhavige slechts tot het bewijs mogen meewerken indien zij in verband staan met bewijsmiddelen die zelf niet hebben te gelden als andere geschriften in de zin van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv. Die opvatting is echter onjuist. Of het andere bewijsmiddel voldoende steunt geeft aan het "andere geschrift" is niet afhankelijk van de aard van dat andere bewijsmiddel. De enkele omstandigheden dat dit steun biedende bewijsmiddel een andere geschrift is in bovenbedoelde zin, is dus niet doorslaggevend. Noch de tekst van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv noch het bewijsstelsel van het Wetboek van Strafvordering dat de feitenrechter een grote vrijheid laat bij de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal, verzet zich tegen deze uitleg. Het middel faalt derhalve.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings, G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S. Bakker, en uitgesproken op 28 september 2004.