Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2004:AO5061
2004-05-04
Strafrecht
02859/03
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2004:AO5061 → ECLI:NL:PHR:2004:AO5061
Inhoudsindicatie
OM-cassatie tegen vrijspraak. De selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, behoeft behoudens bijzondere gevallen geen nadere motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Dit geldt ook indien de feitenrechter op grond van zijn selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot vrijspraak komt. Een nadere motivering van een vrijspraak maakt de beslissing niet onbegrijpelijk doordat het bewijsmateriaal een andere (bewijs)beslissing toelaat.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (122)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2212 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2650 Gerechtshof Den Haag 20-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1914 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1932 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1697 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:484 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1110 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:66 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:HR:2025:1938 Hoge Raad 16-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3582 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-12-2025
- ECLI:NL:HR:2025:832 Hoge Raad 03-06-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1448 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-05-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1266 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1159 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:641 Parket bij de Hoge Raad 01-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:224 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1438 Parket bij de Hoge Raad 17-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1384 Parket bij de Hoge Raad 17-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1302 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1274 Parket bij de Hoge Raad 15-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:998 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:998 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:928 Parket bij de Hoge Raad 10-09-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1000 Parket bij de Hoge Raad 27-08-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2495 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-08-2024
- ECLI:NL:HR:2024:609 Hoge Raad 23-04-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1261 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-04-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:926 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:927 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:227 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:217 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:214 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:215 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:212 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:228 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:216 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:686 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:213 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:15 Parket bij de Hoge Raad 09-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1188 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1699 Hoge Raad 05-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:970 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:931 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:897 Parket bij de Hoge Raad 10-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:661 Parket bij de Hoge Raad 07-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:665 Parket bij de Hoge Raad 07-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:588 Parket bij de Hoge Raad 13-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:559 Parket bij de Hoge Raad 06-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:285 Parket bij de Hoge Raad 28-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1077 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1085 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:634 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:93 Parket bij de Hoge Raad 01-02-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:232 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:12 Parket bij de Hoge Raad 11-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1166 Parket bij de Hoge Raad 14-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1166 Parket bij de Hoge Raad 14-12-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3807 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-11-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3683 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-11-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3682 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-11-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (6.553 tekens)
4 mei 2004
Strafkamer
nr. 02859/03
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 juli 2003, nummer 22/000182-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 1 augustus 2002 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt over de door het Hof gegeven vrijspraak.
3.2.1. Aan de verdachte is kort gezegd tenlastegelegd dat hij al dan niet in vereniging een vrouw genaamd [het slachtoffer] heeft verkracht en haar al dan niet met voorbedachten rade opzettelijk van het leven heeft beroofd.
3.2.2. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Het heeft dienaangaande overwogen:
"De betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [het slachtoffer] zou uitsluitend kunnen volgen uit zijn eigen verklaringen, afgelegd ten overstaan van politieambtenaren, medegedetineerden of zijn familie. De verklaringen van de verdachte over die betrokkenheid - en overigens ook over die van de door hem genoemde andere persoon - voor zover deze al eenduidig zijn op te vatten, komen niet overeen met de bevindingen van de patholoog dr. R. Visser, neergelegd in het sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut (d.d. 5 november 2001). Waar immers de verdachte op enig moment heeft verklaard dat hij of een door hem met name genoemde andere persoon met een steen tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen of een steen heeft gegooid, stemmen deze verklaringen inhoudelijk niet overeen met de in voormeld rapport genoemde doodsoorzaak van het slachtoffer [het slachtoffer].
Weliswaar valt op basis van dat rapport, in samenhang met de door de patholoog tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring, niet uit te sluiten dat een aantal geconstateerde letsels is veroorzaakt door het slaan met een hard voorwerp, bijvoorbeeld een steen, maar uit de conclusie van dat rapport blijkt dat niet die letsels de dood van [het slachtoffer] hebben veroorzaakt, maar dat de doodsoorzaak verstikking als gevolg van samendrukkend geweld ter plaatse van de hals is. Het feit dat de verklaringen van de verdachte niet overeenstemmen met de bevindingen van de patholoog klemt des te meer nu niet aannemelijk is geworden dat de aanwezigheid van een steen op de plaats delict specifieke daderwetenschap was.
Ook in (het ontbreken van) ander bewijsmateriaal ten laste van de verdachte of de door hem met name genoemde andere persoon, zoals voldoende betrouwbare getuigen omtrent de aanwezigheid van de verdachte of die andere persoon op de plaats van het delict en in hetgeen naar voren is gekomen uit het uitvoerige biologische sporenonderzoek / DNA-onderzoek, vindt het hof geen enkele ondersteuning om betrokkenheid van de verdachte bij de hem tenlastegelegde feiten aan te nemen, noch waar het betreft het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 1 meest subsidiair tenlastegelegde, noch waar het betreft het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.
Gelet op het vorenoverwogene dient de verdachte derhalve hiervan worden vrijgesproken."
3.3. Het middel bevat allereerst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken.
3.4. Deze klacht miskent dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen.
3.5. Voorts bevat het middel de grief dat het Hof zijn vrijspraak heeft doen steunen op gronden die deze beslissing niet, althans niet zonder nadere motivering kunnen dragen.
3.6. Het Hof heeft de vrijspraak nader gemotiveerd, zoals hiervoor onder 3.2.2 weergegeven. Een zodanige motivering kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst. Naar de Hoge Raad aanneemt, beoogt de steller van het middel met de onderhavige grief, waarin wordt opgekomen tegen de toereikendheid van 's Hofs nadere motivering van de gegeven vrijspraak, mede te klagen over de begrijpelijkheid van die motivering.
3.7. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt, het tenlastegelegde bewezen acht, is het - volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad - aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Een nadere motivering van een vrijspraak maakt de gegeven beslissing dus niet onbegrijpelijk doordat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat. Het middel faalt derhalve ook in zoverre.
3.8. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 mei 2004.
Strafkamer
nr. 02859/03
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 juli 2003, nummer 22/000182-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 1 augustus 2002 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt over de door het Hof gegeven vrijspraak.
3.2.1. Aan de verdachte is kort gezegd tenlastegelegd dat hij al dan niet in vereniging een vrouw genaamd [het slachtoffer] heeft verkracht en haar al dan niet met voorbedachten rade opzettelijk van het leven heeft beroofd.
3.2.2. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Het heeft dienaangaande overwogen:
"De betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [het slachtoffer] zou uitsluitend kunnen volgen uit zijn eigen verklaringen, afgelegd ten overstaan van politieambtenaren, medegedetineerden of zijn familie. De verklaringen van de verdachte over die betrokkenheid - en overigens ook over die van de door hem genoemde andere persoon - voor zover deze al eenduidig zijn op te vatten, komen niet overeen met de bevindingen van de patholoog dr. R. Visser, neergelegd in het sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut (d.d. 5 november 2001). Waar immers de verdachte op enig moment heeft verklaard dat hij of een door hem met name genoemde andere persoon met een steen tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen of een steen heeft gegooid, stemmen deze verklaringen inhoudelijk niet overeen met de in voormeld rapport genoemde doodsoorzaak van het slachtoffer [het slachtoffer].
Weliswaar valt op basis van dat rapport, in samenhang met de door de patholoog tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring, niet uit te sluiten dat een aantal geconstateerde letsels is veroorzaakt door het slaan met een hard voorwerp, bijvoorbeeld een steen, maar uit de conclusie van dat rapport blijkt dat niet die letsels de dood van [het slachtoffer] hebben veroorzaakt, maar dat de doodsoorzaak verstikking als gevolg van samendrukkend geweld ter plaatse van de hals is. Het feit dat de verklaringen van de verdachte niet overeenstemmen met de bevindingen van de patholoog klemt des te meer nu niet aannemelijk is geworden dat de aanwezigheid van een steen op de plaats delict specifieke daderwetenschap was.
Ook in (het ontbreken van) ander bewijsmateriaal ten laste van de verdachte of de door hem met name genoemde andere persoon, zoals voldoende betrouwbare getuigen omtrent de aanwezigheid van de verdachte of die andere persoon op de plaats van het delict en in hetgeen naar voren is gekomen uit het uitvoerige biologische sporenonderzoek / DNA-onderzoek, vindt het hof geen enkele ondersteuning om betrokkenheid van de verdachte bij de hem tenlastegelegde feiten aan te nemen, noch waar het betreft het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 1 meest subsidiair tenlastegelegde, noch waar het betreft het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.
Gelet op het vorenoverwogene dient de verdachte derhalve hiervan worden vrijgesproken."
3.3. Het middel bevat allereerst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken.
3.4. Deze klacht miskent dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen.
3.5. Voorts bevat het middel de grief dat het Hof zijn vrijspraak heeft doen steunen op gronden die deze beslissing niet, althans niet zonder nadere motivering kunnen dragen.
3.6. Het Hof heeft de vrijspraak nader gemotiveerd, zoals hiervoor onder 3.2.2 weergegeven. Een zodanige motivering kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst. Naar de Hoge Raad aanneemt, beoogt de steller van het middel met de onderhavige grief, waarin wordt opgekomen tegen de toereikendheid van 's Hofs nadere motivering van de gegeven vrijspraak, mede te klagen over de begrijpelijkheid van die motivering.
3.7. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt, het tenlastegelegde bewezen acht, is het - volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad - aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Een nadere motivering van een vrijspraak maakt de gegeven beslissing dus niet onbegrijpelijk doordat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat. Het middel faalt derhalve ook in zoverre.
3.8. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 mei 2004.