Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2003:AN7282
2003-12-09
Strafrecht
00657/03 B
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2003:AN7282 → ECLI:NL:PHR:2003:AN7282
Inhoudsindicatie
Beklag ex art. 552a Sv. De opvatting dat beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat de klager in de gelegenheid moet worden gesteld te reageren op een tot ongegrondverklaring strekkend betoog van de ovj en dat bij gebreke daarvan het onderzoek aan nietigheid leidt, is onjuist.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (4)
- ECLI:NL:HR:2021:1572 Hoge Raad 02-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:865 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:327 Parket bij de Hoge Raad 06-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2017:1465 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (2.664 tekens)
9 december 2003
Strafkamer
nr. 00657/03 B
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Haarlem van 8 november 2002, nummer RK 02/576, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van het in bovenvermelde beschikking omschreven geldbedrag.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet in staat heeft gesteld te reageren of te antwoorden op het standpunt van de Officier van Justitie.
3.2. Het betreft hier een beklag als bedoeld in art. 552a Sv, strekkende tot teruggave aan de klager van een onder een derde in beslag genomen voorwerp. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van de Rechtbank heeft de Officier van Justitie, nadat de klager en diens raadsman het woord hadden gevoerd, zich op het standpunt gesteld dat het beslag diende te worden gehandhaafd.
3.3. Het middel berust op de opvatting dat beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat in een geval als het onderhavige, waarin de officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag, de klager dan wel zijn raadsman in de gelegenheid moeten worden gesteld daarop te reageren en dat bij gebreke daarvan het onderzoek aan nietigheid lijdt. Die opvatting is onjuist, zodat het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2003.
Strafkamer
nr. 00657/03 B
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Haarlem van 8 november 2002, nummer RK 02/576, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van het in bovenvermelde beschikking omschreven geldbedrag.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet in staat heeft gesteld te reageren of te antwoorden op het standpunt van de Officier van Justitie.
3.2. Het betreft hier een beklag als bedoeld in art. 552a Sv, strekkende tot teruggave aan de klager van een onder een derde in beslag genomen voorwerp. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van de Rechtbank heeft de Officier van Justitie, nadat de klager en diens raadsman het woord hadden gevoerd, zich op het standpunt gesteld dat het beslag diende te worden gehandhaafd.
3.3. Het middel berust op de opvatting dat beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat in een geval als het onderhavige, waarin de officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag, de klager dan wel zijn raadsman in de gelegenheid moeten worden gesteld daarop te reageren en dat bij gebreke daarvan het onderzoek aan nietigheid lijdt. Die opvatting is onjuist, zodat het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2003.