Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2001:ZD2843

2001-06-19 Strafrecht 02844/00
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2001-06-19
Publicatiedatum
2013-04-08
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
02844/00
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 2001, 521

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

-

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (3)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.447 tekens)
19 juni 2001
Strafkamer
nr. 02844/00
NF/IK


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest


op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 november 1999, parketnummer 22/000495/99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats].


1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 3 februari 1999 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van éénhonderd uren, in plaats van twee maanden gevangenisstraf, en tevens tot een geldboete van vijfentwintighonderd gulden, subsidiair vijfendertig dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Tj. E. van der Spoel, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.


3. Beoordeling van de bestreden uitspraak en ambtshalve

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet heeft vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

3.2. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard - voor-zover in cassatie van belang - dat:


"hij(...…) te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer
- 540 (delen van ) hennepplanten en/of
- 5 kilogram (delen van) hennepplanten,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de opiumwet behorende lijst II."


3.3. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:


1. de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende - voorzover in cassatie van belang -:
"Het klopt dat ik (...…) te Rotterdam een hennepkwekerij had. (...…)";
2. de verklaring van verdachte zoals afgelegd tegenover de verbalisanten P.L. van Schaijk en M.H. Dekker
d.d. 8 september 1997, inhoudende - voorzover in cassatie van belang -:
"Begin april 1997 ben ik begonnen met het kweken van hennepplanten in het [a-straat 1]. (...…)";
3. een ambtsedig proces-verbaal d.d. 19 september 1997 opgemaakt en ondertekend door de verbalisanten Van Roon en Van Schaijk, inhoudende - voorzover in cassatie van belang -:
"Naar aanleiding van een binnengekomen melding dat er mannen met plastic vuilniszakken gevuld met hennepplanten liepen en dat deze mannen het pand [a-straat 1] hadden betreden via een geopend raam, stelden wij op 5 september 1997 aldaar een onderzoek in naar de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij in het pand [a-straat 1]. (...…)".


3.4. Uit de onder 3.3 onder 2 en 3 weergegeven door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte een hennepkwekerij heeft gehad aan de [adres]. Nu een feit van algemene bekendheid is dat de gemeente Rotterdam geen [a-straat] kent, zijn die bewijsmiddelen echter niet redengevend voor de bewezenverklaring voorzover deze inhoudt dat het feit te Rotterdam is gepleegd.

3.5. Voorzover het middel mede de klacht bevat dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd, is het derhalve terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing


De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.


Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 juni 2001.