Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2001:ZC3661

2001-10-05 Civiel recht C99/362HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2001-10-05
Publicatiedatum
2013-04-08
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
C99/362HR
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | JOL 2001, 517 | JWB 2001/231

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

-

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.280 tekens)
5 oktober 2001
Eerste Kamer
Nr. C99/362HR
AP


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. A.L.C.M. Oomen,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties


Verweerder in cassatie - verder te noemen: de werknemer - heeft bij exploit van 24 november 1992 eiser tot cassatie - verder te noemen: de werkgever - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd de werkgever te veroordelen om aan de werknemer te betalen de door deze geleden schade, nader op te maken bij staat.
De werkgever heeft de vordering bestreden.
De werknemer heeft bij akte ter rolle d.d. 3 juni 1994 zijn eis gewijzigd in een vordering tot betaling van ƒ 1.150.000,--. Nadat de werkgever zich tegen deze wijziging van eis had verzet heeft de Rolrechter bij rolbeslissing van 2 december 1994 het verzet gegrond verklaard.
Na twee tussenvonnissen van 6 oktober 1995 en 14 maart 1997 heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 31 juli 1998:
de werkgever ter zake van immateriële schade en verduistering/niet-doorbetaling van uitkeringen veroordeeld tot betaling aan de werknemer van ƒ 51.000,--;
de werkgever ter zake van de schadefactoren beperking verdienvermogen en achtergehouden loon veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat;
het meer of anders gevorderde afgewezen.



Tegen de vonnissen van de Rechtbank van 6 oktober 1995, 14 maart 1997 en 31 juli 1998 heeft de werkgever hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij tussenarrest van 24 augustus 1999 heeft het Hof de werkgever bewijs opgedragen als in rov. 4.11 van zijn arrest is aangegeven en iedere verdere beslissing aangehouden.
Het tussenarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.


2. Het geding in cassatie


Tegen het arrest van het Hof heeft de werkgever beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De werknemer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de werknemer toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.


3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen vervatte klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beant-woording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing


De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de werkgever in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de werknemer begroot op ƒ 1.377,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.


Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 oktober 2001.