Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2001:AD5329
2001-11-09
Bestuursrecht; Belastingrecht
36111
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (27)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2874 Rechtbank Midden-Nederland 28-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:390 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:390 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1365 Gerechtshof Den Haag 15-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22378 Rechtbank Den Haag 23-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2653 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-08-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1094 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1224 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:6820 Rechtbank Limburg 22-11-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2863 Gerechtshof Den Haag 11-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4880 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-09-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:7759 Rechtbank Noord-Holland 18-08-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:6403 Rechtbank Rotterdam 12-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2354 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-07-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:3826 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-05-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2019:528 Gerechtshof Amsterdam 08-01-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:528 Gerechtshof Amsterdam 08-01-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1827 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-04-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1827 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-04-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:1278 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-02-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:1278 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-02-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2017:3562 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-06-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:3562 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-06-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2016:1999 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-05-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2016:1999 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-05-2016
- ECLI:NL:PHR:2014:2731 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2732 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (5.600 tekens)
Nr. 36.111
9 november 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 maart 2000, nr. 99/445, betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1997 opgelegde aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente Bergh.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente Bergh opgelegd ten bedrage van ƒ 183,33, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling Financiën van de gemeente Bergh is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergh heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, die buiten de gemeente Bergh (hierna: de Gemeente) woont, is eigenares van een in de Gemeente gelegen gemeubileerde recreatiewoning. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag opgelegd in de onroerendezaakbelastingen wegens het gebruik van die woning. Daarna is aan belanghebbende de onderwerpelijke aanslag in de woonforensenbelasting opgelegd ter zake van het in 1997 op meer dan negentig dagen voor zich beschikbaar houden van die woning.
3.2. Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat het de Gemeente niet is toegestaan deze belastingen naast elkaar te heffen. Het Hof heeft dat betoog verworpen en de bestreden uitspraak bevestigd.
Ter bestrijding van deze beslissing betoogt het middel dat een cumulatie van onroerendezaakbelastingen en woonforensenbelasting strijdig is met beginselen van behoorlijke wetgeving.
3.3. Bij de beoordeling van dit middel moet worden vooropgesteld dat de Gemeentewet een gemeente de bevoegdheid geeft zowel tot het heffen van een onroerendezaakbelasting wegens het gebruik van een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar (artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet) als tot het heffen van een forensenbelasting van natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, in die gemeente op meer dan negentig dagen van een belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden (artikel 223, lid 1, van de Gemeentewet). Noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepalingen biedt steun voor de stelling dat de Gemeentewet niet toelaat die belastingen naast elkaar te heffen in die gevallen waarin een beschikbaar gehouden gemeubileerde woning een onroerende zaak is welke de belastingplichtige in gebruik heeft. Voorzover het middel van een andere opvatting uitgaat, faalt het derhalve.
3.4. Voorzover het middel strekt ten betoge dat voormelde bepalingen van de Gemeentewet, voorzover zij cumulatie van beide heffingen toelaten, onverbindend zijn wegens strijd met beginselen van behoorlijke wetgeving, faalt het eveneens, aangezien, gesteld al dat tot die beginselen een verbod tot cumulatie van heffingen zou behoren, dat beginsel geen uitdrukking heeft gevonden in enige een ieder verbindende verdragsbepaling, en het de rechter niet vrijstaat de wet in formele zin aan die beginselen te toetsen.
3.5. Ook faalt het middel voorzover het betoogt dat de Gemeente op grond van beginselen van behoorlijke wetgeving en meer in het bijzonder op grond van wat het middel aanduidt als het profijtbeginsel geen gebruik had mogen maken van de haar in de Gemeentewet toegekende bevoegdheid om zowel onroerendezaakbelastingen als woonforensenbelasting te heffen. Dit betoog vindt geen steun in het recht.
3.6. Anders dan het middel voorts aanvoert, handelt een gemeente niet in strijd met het in artikel 1 van de Grondwet opgenomen verbod tot discriminatie door aan personen die niet in de gemeente hun hoofdverblijf hebben, zowel een aanslag in de onroerendezaakbelastingen wegens het gebruik van een in de gemeente gelegen onroerende zaak als een aanslag in de woonforensenbelasting op te leggen, terwijl gebruikers van onroerende zaken die in de gemeente hun hoofdverblijf hebben, geen aanslag in de woonforensenbelasting ontvangen. De mogelijkheid van deze ongelijke behandeling vloeit voort uit de hiervoor in 3.3 besproken, bij de Gemeentewet voorziene, bevoegdheid om beide belastingen te heffen. Voor het gebruik maken van die bevoegdheid is een rechtvaardiging gelegen in de omstandigheid dat de bijdrage die een gemeente op grond van de Financiële verhoudingswet (Wet van 21 oktober 1996, Stb. 576) ontvangt uit het gemeentefonds, mede afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente en woonforensen daarbij niet tot de inwoners worden gerekend.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, P.J. van Amersfoort en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2001.
9 november 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 maart 2000, nr. 99/445, betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1997 opgelegde aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente Bergh.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente Bergh opgelegd ten bedrage van ƒ 183,33, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling Financiën van de gemeente Bergh is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergh heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, die buiten de gemeente Bergh (hierna: de Gemeente) woont, is eigenares van een in de Gemeente gelegen gemeubileerde recreatiewoning. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag opgelegd in de onroerendezaakbelastingen wegens het gebruik van die woning. Daarna is aan belanghebbende de onderwerpelijke aanslag in de woonforensenbelasting opgelegd ter zake van het in 1997 op meer dan negentig dagen voor zich beschikbaar houden van die woning.
3.2. Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat het de Gemeente niet is toegestaan deze belastingen naast elkaar te heffen. Het Hof heeft dat betoog verworpen en de bestreden uitspraak bevestigd.
Ter bestrijding van deze beslissing betoogt het middel dat een cumulatie van onroerendezaakbelastingen en woonforensenbelasting strijdig is met beginselen van behoorlijke wetgeving.
3.3. Bij de beoordeling van dit middel moet worden vooropgesteld dat de Gemeentewet een gemeente de bevoegdheid geeft zowel tot het heffen van een onroerendezaakbelasting wegens het gebruik van een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar (artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet) als tot het heffen van een forensenbelasting van natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, in die gemeente op meer dan negentig dagen van een belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden (artikel 223, lid 1, van de Gemeentewet). Noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepalingen biedt steun voor de stelling dat de Gemeentewet niet toelaat die belastingen naast elkaar te heffen in die gevallen waarin een beschikbaar gehouden gemeubileerde woning een onroerende zaak is welke de belastingplichtige in gebruik heeft. Voorzover het middel van een andere opvatting uitgaat, faalt het derhalve.
3.4. Voorzover het middel strekt ten betoge dat voormelde bepalingen van de Gemeentewet, voorzover zij cumulatie van beide heffingen toelaten, onverbindend zijn wegens strijd met beginselen van behoorlijke wetgeving, faalt het eveneens, aangezien, gesteld al dat tot die beginselen een verbod tot cumulatie van heffingen zou behoren, dat beginsel geen uitdrukking heeft gevonden in enige een ieder verbindende verdragsbepaling, en het de rechter niet vrijstaat de wet in formele zin aan die beginselen te toetsen.
3.5. Ook faalt het middel voorzover het betoogt dat de Gemeente op grond van beginselen van behoorlijke wetgeving en meer in het bijzonder op grond van wat het middel aanduidt als het profijtbeginsel geen gebruik had mogen maken van de haar in de Gemeentewet toegekende bevoegdheid om zowel onroerendezaakbelastingen als woonforensenbelasting te heffen. Dit betoog vindt geen steun in het recht.
3.6. Anders dan het middel voorts aanvoert, handelt een gemeente niet in strijd met het in artikel 1 van de Grondwet opgenomen verbod tot discriminatie door aan personen die niet in de gemeente hun hoofdverblijf hebben, zowel een aanslag in de onroerendezaakbelastingen wegens het gebruik van een in de gemeente gelegen onroerende zaak als een aanslag in de woonforensenbelasting op te leggen, terwijl gebruikers van onroerende zaken die in de gemeente hun hoofdverblijf hebben, geen aanslag in de woonforensenbelasting ontvangen. De mogelijkheid van deze ongelijke behandeling vloeit voort uit de hiervoor in 3.3 besproken, bij de Gemeentewet voorziene, bevoegdheid om beide belastingen te heffen. Voor het gebruik maken van die bevoegdheid is een rechtvaardiging gelegen in de omstandigheid dat de bijdrage die een gemeente op grond van de Financiële verhoudingswet (Wet van 21 oktober 1996, Stb. 576) ontvangt uit het gemeentefonds, mede afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente en woonforensen daarbij niet tot de inwoners worden gerekend.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, P.J. van Amersfoort en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2001.