Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2000:AA7907

2000-10-27 Civiel recht C98/364HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2000-10-27
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
C98/364HR
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | JOL 2000, 509 | JWB 2000/178

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

-

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.317 tekens)
27 oktober 2000
Eerste Kamer
Nr. C98/364HR



Hoge Raad der Nederlanden
Arrest


in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. C.C. van Bodegom,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.K. Franx.

1. Het geding in feitelijke instanties


Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 12 februari 1993 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Dordrecht en gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 18.691,91 inclusief verschuldigde renten en kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.
Nadat tegen de niet verschenen [verweerder] verstek was verleend, heeft de Rechtbank bij vonnis van 7 april 1993 [verweerder] veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 17.820,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 1993, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
[Verweerder] is bij exploit van 29 juni 1993 tegen dit vonnis in verzet gekomen.
Na verweer in oppositie zijdens [eiser] heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 5 oktober 1994 [verweerder] bewijslevering opgedragen.
Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 9 augustus 1995 het verzet ongegrond verklaard en het vonnis van 7 april 1993 bekrachtigd.
Tegen de vonnissen van 5 oktober 1994 en 9 augustus 1995 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij tussenarrest van 20 november 1997 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast. Bij eindarrest van 16 april 1998 heeft het Hof de vonnissen van de Rechtbank te Dordrecht van 5 oktober 1994 en 9 augustus 1995 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] ontheven van de veroordeling, tegen hem uitgesproken bij vonnis van deze Rechtbank van 7 april 1993, en de vordering van [eiser] afgewezen.
De arresten van het Hof van 20 november 1997 en 16 april 1998 zijn aan dit arrest gehecht.


2. Het geding in cassatie


Tegen de twee laatstvermelde arresten van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.


3. Beoordeling van het middel

Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries-Lentsch-Kostense.

4. Beslissing


De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 747,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.



Dit arrest is gewezen door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der
Putt-Lauwers en J.B. Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H.
Heemskerk op 27 oktober 2000.