Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1996:ZD0140
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1996:ZD0140 → ECLI:NL:PHR:1996:62
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed, art. 26.2.a WVW. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.a Sv. 1. Had hof de verdachte ontvankelijk moeten verklaren in zijn h.b. en OM n-o moeten verklaren in zijn vervolging, nu dagvaarding door verdachte als ingetrokken kon en mocht worden beschouwd gelet op bericht van OvJ? 2. Subsidiair (voor het geval HR het cassatieberoep zal verwerpen) verzoek tot herziening van bestreden uitspraak. Ad 1. Middelen miskennen dat in cassatie geen beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die niet vaststaan en waarvan niet blijkt dat daarop in feitelijke aanleg een beroep is gedaan. Ad 2. HR zal op herzieningsverzoek geen acht slaan, aangezien herziening ex art. 457 Sv slechts kan worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. herzieningsverzoek.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.853 tekens)
Strafkamer
nr. 102.846
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 augustus 1995 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [plaats].
1. De bestreden einduitspraak
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 11 februari 1994, waarbij de verdachte ter zake van "handelen in strijd met artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet" is veroordeeld tot een geldboete van éénduizendenvijfhonderd gulden, subsidiair dertig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De schriftuur houdt voorts subsidiair - voor het geval de Hoge Raad het cassatieberoep zal verwerpen - een verzoek tot herziening van de bestreden uitspraak in. De Hoge Raad zal op dat verzoek geen acht slaan, aangezien herziening ingevolge art. 457 Sv slechts kan worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en tot gegrondverklaring van de aanvrage tot herziening met uitvaardiging van de bevelen die nodig zijn en met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
4. Beoordeling van de middelen
De middelen miskennen dat in cassatie geen beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden welke niet vaststaan en waarvan niet blijkt dat daarop in feitelijke aanleg een beroep is gedaan. De middelen falen dus.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Keijzer en Aaftink, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 15 oktober 1996.