Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1996:AA2004
1996-03-27
Bestuursrecht; Belastingrecht
31209
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (41)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2987 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2895 Gerechtshof Amsterdam 19-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6307 Rechtbank Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8810 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:828 Parket bij de Hoge Raad 23-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5852 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:7271 Rechtbank Noord-Holland 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:435 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:434 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3802 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3802 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3802 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3802 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3805 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3805 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-06-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1426 Gerechtshof Amsterdam 23-05-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1924 Rechtbank Noord-Holland 21-02-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4042 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-11-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1943 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:406 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:406 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2006 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3286 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-05-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:2271 Rechtbank Noord-Holland 23-03-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:2272 Rechtbank Noord-Holland 23-03-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9185 Rechtbank Noord-Holland 26-10-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4532 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-12-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4232 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-11-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2244 Gerechtshof Amsterdam 27-06-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:4322 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:4321 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:482 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:677 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:678 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2018:8475 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-09-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1780 Gerechtshof Den Haag 30-05-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1071 Gerechtshof Amsterdam 20-03-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5846 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2771 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-06-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2772 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-06-2017
- ECLI:NL:GHARL:2014:5317 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-07-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (3.635 tekens)
gewezen op het beroep in cassatie van Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 maart 1995 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing voor het jaar 1989 van de provincie Utrecht.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de zuiveringsheffing van de Provincie Utrecht opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van Gedeputeerde Staten in beroep gekomen bij het Hof. Bij ambtshalve gegeven beschikking van Gedeputeerde Staten van 16 november 1993 is de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar 3 vervuilingseenheden met een verhoging van ƒ 9,05.
Het Hof heeft de uitspraak van Gedeputeerde Staten vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar 3 vervuilingseenheden, zonder toepassing van verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Gedeputeerde Staten hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klacht 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Belanghebbende is gebruikster van het perceel a-straat 1 te Z. Op dit perceel bevindt zich de woning van belanghebbende en haar echtgenoot. Het perceel wordt tevens gebruikt voor de exploitatie van een jachthaven. De watervoorziening van de jachthaven vindt plaats via de watermeter van de woning. Er is geen aparte meter voor het waterverbruik ten behoeve van de jachthaven. 3.1.2. Belanghebbende heeft het haar uitgereikte aangiftebiljet voor de zuiveringsheffing oningevuld teruggezonden. In een begeleidende brief heeft zij vermeld van mening te zijn dat ter zake van de jachthaven aan haar geen aanslag in de zuiveringsheffing kon worden opgelegd omdat in de privé-sfeer reeds een aanslag was opgelegd voor de verontreiniging vanuit de woning. Het vervolgens aan haar toegezonden vragenbiljet heeft zij ingevuld en teruggezonden onder herhaling van haar standpunt. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat onder de in 3.1.2 vermelde omstandigheden niet kan worden gesproken van een situatie waarop het bepaalde in het derde lid van artikel 9 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen ziet. Dit oordeel wordt in cassatie tevergeefs bestreden. Indien, zoals hier, een belastingplichtige zijn aangiftebiljet oningevuld terugzendt maar daarbij uitdrukkelijk, en gemotiveerd aangeeft dat en waarom hij van mening is niet belastingplichtig te zijn, kan hem niet worden verweten dat hij nalatig is gebleven in het doen van aangifte, ook niet indien zijn standpunt door de rechter onjuist wordt bevonden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 27 maart 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Van Gedeputeerde Staten wordt een griffierecht geheven van ƒ 300,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van ƒ 150,-- dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak zodat nog resteert te betalen ƒ 150,--.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de zuiveringsheffing van de Provincie Utrecht opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van Gedeputeerde Staten in beroep gekomen bij het Hof. Bij ambtshalve gegeven beschikking van Gedeputeerde Staten van 16 november 1993 is de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar 3 vervuilingseenheden met een verhoging van ƒ 9,05.
Het Hof heeft de uitspraak van Gedeputeerde Staten vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar 3 vervuilingseenheden, zonder toepassing van verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Gedeputeerde Staten hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klacht 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Belanghebbende is gebruikster van het perceel a-straat 1 te Z. Op dit perceel bevindt zich de woning van belanghebbende en haar echtgenoot. Het perceel wordt tevens gebruikt voor de exploitatie van een jachthaven. De watervoorziening van de jachthaven vindt plaats via de watermeter van de woning. Er is geen aparte meter voor het waterverbruik ten behoeve van de jachthaven. 3.1.2. Belanghebbende heeft het haar uitgereikte aangiftebiljet voor de zuiveringsheffing oningevuld teruggezonden. In een begeleidende brief heeft zij vermeld van mening te zijn dat ter zake van de jachthaven aan haar geen aanslag in de zuiveringsheffing kon worden opgelegd omdat in de privé-sfeer reeds een aanslag was opgelegd voor de verontreiniging vanuit de woning. Het vervolgens aan haar toegezonden vragenbiljet heeft zij ingevuld en teruggezonden onder herhaling van haar standpunt. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat onder de in 3.1.2 vermelde omstandigheden niet kan worden gesproken van een situatie waarop het bepaalde in het derde lid van artikel 9 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen ziet. Dit oordeel wordt in cassatie tevergeefs bestreden. Indien, zoals hier, een belastingplichtige zijn aangiftebiljet oningevuld terugzendt maar daarbij uitdrukkelijk, en gemotiveerd aangeeft dat en waarom hij van mening is niet belastingplichtig te zijn, kan hem niet worden verweten dat hij nalatig is gebleven in het doen van aangifte, ook niet indien zijn standpunt door de rechter onjuist wordt bevonden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 27 maart 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Van Gedeputeerde Staten wordt een griffierecht geheven van ƒ 300,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van ƒ 150,-- dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak zodat nog resteert te betalen ƒ 150,--.