Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1995:ZC1626
1995-01-27
Civiel recht
15.585
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1995:ZC1626 → ECLI:NL:PHR:1994:59
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (5)
- ECLI:NL:HR:2026:1198 Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:522 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2024:477 Gerechtshof Den Haag 21-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2017:131 Parket bij de Hoge Raad 20-01-2017
- ECLI:NL:PHR:2014:579 Parket bij de Hoge Raad 06-06-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.585 tekens)
27 januari 1995
Eerste Kamer
Nr. 15.585
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
MONDIA B.V., gevestigd te Echt, EISERES tot cassatie, advocaat: mr J.M. Barendrecht,
tegen
CALANDA B.V., gevestigd te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel,
VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr L. van Heijningen.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding voorafgaande aan zijn arrest van 21 oktober 1988, NJ 1990, 439, verwijst de Hoge Raad naar dit arrest.
Bij dit arrest heeft de Hoge Raad vernietigd het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 juni 1986, voor zover in reconventie gewezen, en de zaak in zoverre verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Mondia - heeft bij exploit van 28 maart 1989 verweerster in cassatie - verder te noemen: Calanda - opgeroepen voor het Gerechtshof te Arnhem teneinde in reconventie voort te procederen. Bij memorie na verwijzing heeft Mondia gevorderd het vonnis van de Rechtbank te Roermond van 4 juli 1985 (rolnr. 190/1984), in reconventie gewezen, te vernietigen en Calanda te veroordelen om aan Mondia te betalen f 134.819,52, met de wettelijke rente.
Nadat Calanda verweer had gevoerd, heeft het Hof te Arnhem bij arrest van 27 februari 1990 het vonnis van de Rechtbank te Roermond van 4 juli 1985, tussen partijen gewezen in reconventie, vernietigd voor zover betreffende hetgeen aan Mondia daarbij te bewijzen is opgedragen, vermeld na het eerste gedachtenstreepje, het vonnis voor het overige bekrachtigd, en de zaak naar die Rechtbank verwezen ter verdere behandeling.
Bij exploit van 18 juni 1990 heeft Mondia Calanda opgeroepen voor de Rechtbank te Roermond voor voortprocederen.
Na enquête heeft de Rechtbank bij vonnis van 16 april 1992 in reconventie Calanda veroordeeld om aan Mondia te betalen f 139.528,44, met de wettelijke rente.
Tegen laatstgenoemd vonnis heeft Calanda hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 26 oktober 1993 heeft dat Hof het vonnis van 16 april 1992 vernietigd en de vordering van Mondia afgewezen.
Het arrest van het Hof van 26 oktober 1993 is aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Mondia heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Hof Arnhem van 27 februari 1990 en tegen het arrest van het Hof 's-Hertogenbosch van 26 oktober 1993. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Calanda heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Mondia mede door mr T. Cohen Jehoram, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch- Kostense strekt tot verwerping van het beroep tegen het arrest van het Hof te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 1993 en tot niet-ontvankelijkverklaring van Mondia in haar beroep tegen het arrest van het Hof te Arnhem.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Calanda betoogt dat het cassatieberoep, voor zover ingesteld tegen het arrest van het Hof te Arnhem van 27 februari 1990, niet ontvankelijk is wegens het overschrijden van de cassatietermijn.
Dit betoog faalt. Het arrest van het Hof te Arnhem is een in appel gewezen interlocutoir arrest waartegen, bij gebreke van een dadelijk binnen de cassatietermijn daartegen ingesteld beroep, nog beroep in cassatie kon worden ingesteld tegelijk met het cassatieberoep tegen het in appel gewezen eindarrest van het Hof te 's-Hertogenbosch. Het tijdig aldus ingestelde beroep is derhalve ontvankelijk.
4. Beoordeling van het middel
4.1 Het middel bestaat uit tien onderdelen waarvan het tiende onderdeel is aangevoerd onder de voorwaarde dat de voorafgaande negen onderdelen geen van alle tot cassatie leiden.
De Hoge Raad zal evenwel eerst onderdeel 10 behandelen, aangezien dit van de verste strekking is.
4.2 Onderdeel 10 klaagt dat na cassatie en verwijzing het Hof te Arnhem de zaak ten onrechte heeft terugverwezen naar de Rechtbank te Roermond.
De klacht is gegrond. Art. 424 Rv. bepaalt: "De rechter, naar wie het geding is verwezen, zet de behandeling daarvan voort en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad." Deze bepaling moet mede om redenen van doelmatigheid - beperking van het aantal instanties in één procedure en besparing van kosten - aldus worden verstaan, dat de rechter naar wie het geding door de Hoge Raad is verwezen ter verdere behandeling en beslissing, gehouden is het geding zelf verder te behandelen en af te doen zonder dit weer te verwijzen naar een andere rechter (HR 1 december 1939, NJ 1940, 24), tenzij de Hoge Raad bij zijn verwijzing met zoveel woorden de mogelijkheid tot verdere verwijzing heeft geopend. Dit geldt zowel ingeval de rechter in eerste aanleg een eindvonnis heeft gewezen als ingeval hij een interlocutor of incidenteel vonnis heeft gewezen, waartegen tussentijds hoger beroep of cassatieberoep is ingesteld. Het Hof heeft de zaak dus ten onrechte verwezen naar de Rechtbank.
4.3 De onderdelen 1 tot en met 9 zijn gericht tegen het arrest van het Hof te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 1993. De gegrondheid van onderdeel 10 brengt onder meer mee dat dit arrest van het Hof te 's-Hertogenbosch moet worden vernietigd. Daarmee is het belang bij behandeling van de onderdelen 1 tot en met 9 komen te ontbreken, zodat behandeling daarvan achterwege kan blijven.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 februari 1990 voor zover het Hof daarin de zaak heeft verwezen;
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Roermond van 16 april 1992;
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 1993;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Calanda in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Mondia begroot op f 2.965,09 aan verschotten en f 3.500, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Neleman, Heemskerk en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 27 januari 1995.
Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden
Eerste Kamer
Nr. 15.585
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
MONDIA B.V., gevestigd te Echt, EISERES tot cassatie, advocaat: mr J.M. Barendrecht,
tegen
CALANDA B.V., gevestigd te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel,
VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr L. van Heijningen.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding voorafgaande aan zijn arrest van 21 oktober 1988, NJ 1990, 439, verwijst de Hoge Raad naar dit arrest.
Bij dit arrest heeft de Hoge Raad vernietigd het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 juni 1986, voor zover in reconventie gewezen, en de zaak in zoverre verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Mondia - heeft bij exploit van 28 maart 1989 verweerster in cassatie - verder te noemen: Calanda - opgeroepen voor het Gerechtshof te Arnhem teneinde in reconventie voort te procederen. Bij memorie na verwijzing heeft Mondia gevorderd het vonnis van de Rechtbank te Roermond van 4 juli 1985 (rolnr. 190/1984), in reconventie gewezen, te vernietigen en Calanda te veroordelen om aan Mondia te betalen f 134.819,52, met de wettelijke rente.
Nadat Calanda verweer had gevoerd, heeft het Hof te Arnhem bij arrest van 27 februari 1990 het vonnis van de Rechtbank te Roermond van 4 juli 1985, tussen partijen gewezen in reconventie, vernietigd voor zover betreffende hetgeen aan Mondia daarbij te bewijzen is opgedragen, vermeld na het eerste gedachtenstreepje, het vonnis voor het overige bekrachtigd, en de zaak naar die Rechtbank verwezen ter verdere behandeling.
Bij exploit van 18 juni 1990 heeft Mondia Calanda opgeroepen voor de Rechtbank te Roermond voor voortprocederen.
Na enquête heeft de Rechtbank bij vonnis van 16 april 1992 in reconventie Calanda veroordeeld om aan Mondia te betalen f 139.528,44, met de wettelijke rente.
Tegen laatstgenoemd vonnis heeft Calanda hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 26 oktober 1993 heeft dat Hof het vonnis van 16 april 1992 vernietigd en de vordering van Mondia afgewezen.
Het arrest van het Hof van 26 oktober 1993 is aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Mondia heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Hof Arnhem van 27 februari 1990 en tegen het arrest van het Hof 's-Hertogenbosch van 26 oktober 1993. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Calanda heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Mondia mede door mr T. Cohen Jehoram, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch- Kostense strekt tot verwerping van het beroep tegen het arrest van het Hof te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 1993 en tot niet-ontvankelijkverklaring van Mondia in haar beroep tegen het arrest van het Hof te Arnhem.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Calanda betoogt dat het cassatieberoep, voor zover ingesteld tegen het arrest van het Hof te Arnhem van 27 februari 1990, niet ontvankelijk is wegens het overschrijden van de cassatietermijn.
Dit betoog faalt. Het arrest van het Hof te Arnhem is een in appel gewezen interlocutoir arrest waartegen, bij gebreke van een dadelijk binnen de cassatietermijn daartegen ingesteld beroep, nog beroep in cassatie kon worden ingesteld tegelijk met het cassatieberoep tegen het in appel gewezen eindarrest van het Hof te 's-Hertogenbosch. Het tijdig aldus ingestelde beroep is derhalve ontvankelijk.
4. Beoordeling van het middel
4.1 Het middel bestaat uit tien onderdelen waarvan het tiende onderdeel is aangevoerd onder de voorwaarde dat de voorafgaande negen onderdelen geen van alle tot cassatie leiden.
De Hoge Raad zal evenwel eerst onderdeel 10 behandelen, aangezien dit van de verste strekking is.
4.2 Onderdeel 10 klaagt dat na cassatie en verwijzing het Hof te Arnhem de zaak ten onrechte heeft terugverwezen naar de Rechtbank te Roermond.
De klacht is gegrond. Art. 424 Rv. bepaalt: "De rechter, naar wie het geding is verwezen, zet de behandeling daarvan voort en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad." Deze bepaling moet mede om redenen van doelmatigheid - beperking van het aantal instanties in één procedure en besparing van kosten - aldus worden verstaan, dat de rechter naar wie het geding door de Hoge Raad is verwezen ter verdere behandeling en beslissing, gehouden is het geding zelf verder te behandelen en af te doen zonder dit weer te verwijzen naar een andere rechter (HR 1 december 1939, NJ 1940, 24), tenzij de Hoge Raad bij zijn verwijzing met zoveel woorden de mogelijkheid tot verdere verwijzing heeft geopend. Dit geldt zowel ingeval de rechter in eerste aanleg een eindvonnis heeft gewezen als ingeval hij een interlocutor of incidenteel vonnis heeft gewezen, waartegen tussentijds hoger beroep of cassatieberoep is ingesteld. Het Hof heeft de zaak dus ten onrechte verwezen naar de Rechtbank.
4.3 De onderdelen 1 tot en met 9 zijn gericht tegen het arrest van het Hof te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 1993. De gegrondheid van onderdeel 10 brengt onder meer mee dat dit arrest van het Hof te 's-Hertogenbosch moet worden vernietigd. Daarmee is het belang bij behandeling van de onderdelen 1 tot en met 9 komen te ontbreken, zodat behandeling daarvan achterwege kan blijven.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 februari 1990 voor zover het Hof daarin de zaak heeft verwezen;
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Roermond van 16 april 1992;
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 1993;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Calanda in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Mondia begroot op f 2.965,09 aan verschotten en f 3.500, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Neleman, Heemskerk en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 27 januari 1995.
Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden