Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1994:ZC1345

1994-04-22 Civiel recht 15.294
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1994-04-22
Publicatiedatum
2013-04-08
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
15.294
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NJ 1995, 560 met annotatie van W.M. Kleijn; RvdW 1994, 99; V-N 1994/2285, 39 met annotatie van Redactie

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Akte; Bewijs; Bewijswaardering; Goederenrecht; Koopovereenkomst; transportakte; Overdracht; Uitleg akte; Uitleg overeenkomst (Haviltex).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (14)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.061 tekens)
22 april 1994
Eerste Kamer
Nr. 15.294
AS



Hoge Raad der Nederlanden





Arrest




in de zaak van:




[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. J.L. de Wijkerslooth,



tegen




[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.



1. Het geding in feitelijke instanties


Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 1 juni 1987 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Dordrecht en een verklaring van recht gevorderd dat een perceel weiland gelegen in de gemeente [gemeente], aan hem toebehoort.
Nadat [verweerder] tegen de vordering verweer had gevoerd en in reconventie een verklaring van recht gevorderd had dat het bedoelde perceel, aan hem, [verweerder], toebehoort heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 8 februari 1989 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Vervolgens heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 9 mei 1990 in conventie de vordering afgewezen, en in reconventie de gevorderde verklaring voor recht gegeven.
Tegen beide vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 11 november 1992 heeft het Hof de bestreden vonnissen bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.



2. Het geding in cassatie


Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

[eiser] heeft zijn zaak namens zijn advocaat doen toelichten door Mr. T.H. Tanja-van den Broek, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, en [verweerder] heeft zijn zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.



3. Beoordeling van het middel


3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Blijkens onderhandse akte van 23 december 1977 heeft [eiser] van [betrokkene 1] gekocht:


"een perceel weiland gelegen aan de [a-straat] te [plaats] gemeente [gemeente], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie […] groot circa 85,90 are".


De levering diende uiterlijk 30 juni 1978 plaats te vinden. Op 1 januari 1978 heeft [eiser] het perceel in gebruik genomen en daarin een sloot doen graven in de richting noord-zuid, zodanig dat westelijk van deze sloot een weiland ligt met een oppervlakte van 80 are en oostelijk van de sloot een strook grond 170 meter lang en 3,47 meter breed. De oppervlakte van de sloot samen met de bedoelde strook grond is ongeveer 5,90 are.
Blijkens onderhandse akte van 9 juni 1978 heeft [eiser] aan [verweerder] verkocht:


"een perceel weiland gelegen aan de [a-straat] te [plaats] gemeente [gemeente], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie […] gedeeltelijk groot circa 80 are".


Bij notariële akte van 23 juni 1978, overgeschreven ten hypotheekkantore te Rotterdam op 28 juni 1978, is het door [eiser] aan [verweerder] verkochte perceel geleverd.
Blijkens die akte hebben [eiser] en [verweerder] verklaard:


"dat de verkoper heeft verkocht en overdraagt aan de koper, die heeft gekocht en aanneemt: een perceel weiland, gelegen aan de [a-straat] te [plaats], gemeente [gemeente], uitmakende een gedeelte, groot ongeveer vijfentachtig are en negentig centiare van het perceel kadastraal bekend als gemeente [plaats] sektie […] en wel een zodanig gedeelte als ter plaatse kennelijk is aangegeven en na uitmeting vanwege het kadaster op naam van de koper zal worden gesteld."


Blijkens onderhandse akte van 29 januari 1987, heeft [verweerder] verkocht aan [betrokkene 2]:


"de grond gelegen te [gemeente], aan de [a-straat], kadastraal bekend Gemeente [plaats], Sektie […] are 90 ca welke grond direct grenst aan de aan de koper reeds in eigendom behorende grond en opstallen bekend als [a-straat 1] te [gemeente]."


Uit hoofde van deze laatste koopovereenkomst heeft nog geen levering plaatsgevonden, omdat [eiser] zich op het standpunt stelt dat de smalle strook grond oostelijk van de sloot zijn eigendom is gebleven. Als gevolg daarvan zou de door [betrokkene 2] van [verweerder] gekochte grond niet grenzen aan het perceel grond dat [betrokkene 2] eerder had verkregen.



3.2 Tussen partijen is in geschil wie eigenaar is van de sloot en de oostelijk daarvan gelegen strook grond. De Rechtbank heeft bij haar tussenvonnis [eiser] toegelaten tot het bewijs dat hij aan [verweerder] alleen het westelijk van de sloot gelegen weiland heeft verkocht. Bij haar eindvonnis heeft de Rechtbank geoordeeld dat de gehele sloot en de ten oosten daarvan gelegen strook grond toebehoort aan [verweerder]. Het Hof heeft de beide vonnissen van de Rechtbank bekrachtigd. Hetgeen het Hof daartoe heeft overwogen kan als volgt worden weergegeven.

(i) In essentie gaat het om de vraag of doorslaggevend is de omschrijving van de onroerende zaak in de koopakte (van 9 juni 1978) dan wel in de tot levering bestemde akte, waarin, gelet op de vermelde oppervlaktemaat, weiland met sloot en strook grond worden aangeduid (rov. 4).

(ii) Nu het gaat om de eigendomsvraag moet als uitgangspunt worden genomen dat de in de tot levering bestemde akte aangeduide onroerende zaak, zijnde weiland met sloot en strook grond, is overgedragen aan [verweerder] (rov. 5.1).
(iii) De Rechtbank heeft terecht aan [eiser] de gelegenheid gegeven te bewijzen dat hij aan [verweerder] alleen het westelijk van de sloot gelegen weiland heeft verkocht (rov. 5.2).
(iv) [eiser] is niet in dat bewijs geslaagd (rov. 6.1).
Het uit vijf onderdelen bestaande middel is gericht tegen de onder (i) tot en met (iii) vermelde oordelen van het Hof.



3.3 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende voorop worden gesteld. Het gaat in dit geding om een geval waarin een partij bij de overdracht van een onroerende zaak stelt dat die zaak volgens de omschrijving daarvan in de tot levering bestemde akte, groter is dan partijen bij de koopovereenkomst, die aan de overdracht ten grondslag lag, voor ogen stond. Blijkt die stelling juist en is de onroerende zaak, zoals omschreven in de tot levering bestemde akte, groter dan partijen bij de koopovereenkomst zijn overeengekomen, dan zal de eigendom van het meerdere niet zijn overgegaan omdat voor overdracht van dat meerdere een geldige titel ontbrak.



3.4 Voorts verdient aantekening dat de tot levering bestemde akte als verklaring van partijen niet alleen inhoudt dat zij een perceel weiland van 85,90 are overdragen maar ook dat [eiser] dat perceel aan [verweerder] heeft verkocht, zoals [verweerder] dat perceel van [eiser] heeft gekocht. Aldus hebben partijen in de tot levering bestemde akte de titel van overdracht vermeld, zoals voor het huidige recht is voorgeschreven in art. 3:89 lid 2 BW.



3.5 Onderdeel 1 bestrijdt met een rechtsklacht de hiervoor in 3.2 onder (i) en (ii) weergegeven oordelen van het Hof.
Het Hof heeft vastgesteld dat [eiser] persoonlijk aanwezig is geweest bij het verlijden van de tot levering bestemde akte. Daarin ligt besloten dat naar het oordeel van het Hof, [verweerder] ervan mocht uitgaan dat de tekst van de akte, waarin is vermeld dat een perceel met een oppervlakte van 85,90 are aan [verweerder] was verkocht en aan hem werd overgedragen, in overeenstemming was met hetgeen [eiser] voor ogen stond. Aldus oordelende heeft het Hof, anders dan in het onderdeel wordt aangevoerd, niet miskend dat het bij de uitleg van de koopovereenkomst voor het antwoord op de vraag wat de verkoper aan de koper heeft verkocht ervan afhangt wat de verkoper en de koper over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen of gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. De in het onderdeel a-h opgesomde omstandigheden behoefde het Hof niet van zijn oordeel te weerhouden, zulks mede in het licht van hetgeen hierna in 3.8 ter zake van onderdeel 4 zal worden overwogen, erop neerkomend dat het Hof terecht de notariële tot levering bestemde akte tot uitgangspunt heeft genomen. De klacht faalt daarom.



3.6 Onderdeel 2 bestrijdt met motiveringsklachten de in 3.2 onder (i) en (ii) vermelde oordelen van het Hof. Dit onderdeel faalt omdat de bestreden oordelen, mede in het licht van het het hiervoor in 3.5 overwogene, niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden.



3.7 Onderdeel 3 richt zich tegen 's Hofs hiervoor in 3.2 onder (i) weergegeven oordeel met de klacht dat het Hof in zijn vraagstelling heeft miskend dat het in deze zaak gaat om de vraag hoe de aanduidingen in de transportakte moeten worden uitgelegd en dat de oppervlaktemaat, anders dan het Hof blijkbaar meent, niet meer dan een element in de beoordeling naast andere in de akte vervatte elementen is.
Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag dat Het Hof kennelijk de tot levering bestemde akte heeft uitgelegd in het licht van de gehele inhoud daarvan en aldus tot de slotsom is gekomen dat, voor wat betreft de vraag wat uit die akte omtrent de omvang van het verkochte blijkt, de aanduiding van de oppervlakte hier een doorslaggevend aanknopingspunt oplevert. Die slotsom is in het licht van de inhoud van die akte niet onbegrijpelijk, ook niet als alle in die akte vervatte en in het onderdeel gereleveerde elementen in de beoordeling worden betrokken. Nu de inhoud van deze akte juist op het punt van de oppervlakte van het verkochte niet samenvalt met de inhoud van de onderhandse koopakte, heeft het Hof hier begrijpelijkerwijs een contrast gezien dat dan ook in beginsel aanleiding kon geven tot door [eiser] te leveren tegenbewijs. Mede in het licht van hetgeen hierna in 3.8 en 3.9 zal worden overwogen, geeft dit geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt derhalve.



3.8 Onderdeel 4 komt met een rechts- en een motiveringsklacht op tegen 's Hofs hiervoor in 3.2 onder (ii) weergegeven oordeel.
Het onderdeel faalt. De notariële akte van 23 juni 1978 levert naar haar aard dwingend bewijs op dat partijen - in afwijking van de onderhandse akte van 9 juni 1978 - hebben verklaard te hebben verkocht, respectievelijk gekocht, een perceel weiland van 85,90 are. Het Hof heeft derhalve terecht geoordeeld dat deze omschrijving tot uitgangspunt moet worden genomen met dien verstande dat daartegen in beginsel tegen bewijs openstaat. Het Hof heeft bij zijn uitleg van de woorden "een perceel weiland", kennelijk en niet onbegrijpelijk, niet van belang geacht dat dit perceel bij de door het Hof aanvaarde uitleg van de akte doorsneden werd door een sloot.



3.9 Onderdeel 5 is gericht tegen het hiervoor in 3.2 onder (iii) weergegeven oordeel van het Hof.
Ook dit onderdeel faalt. Zoals hiervoor reeds in 3.8 is overwogen, levert de akte van 23 juni 1978 jegens [eiser] dwingend bewijs op dat hij een perceel weiland van 85,90 are aan [verweerder] heeft verkocht. Het Hof heeft, zoals volgt uit hetgeen bij art. 178 Rv. is bepaald, terecht geoordeeld dat het aan [eiser] was tegenbewijs te leveren. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.



4. Beslissing


De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 507,20 aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris.



Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Heemskerk, Nieuwenhuis en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 22 april 1994.