Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1988:AD0545

1988-12-16 Civiel recht 13382
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1988-12-16
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
13382
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 1989, 363 met annotatie van W.H. Heemskerk | RvdW 1989, 3

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Verklaringsprocedure die door het faillissement van de debiteur een einde heeft genomen. Invloed van hoger beroep en beroep in cassatie in de hoofdzaak op het verloop van de verklaringsprocedure.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (5)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.709 tekens)
16 december 1988
Eerste Kamer
nr. 13.382
s.j.



Hoge Raad der Nederlanden





Arrest
in de zaak van:



1) HANDELMAATSCHAPPIJ EUROPA-AZIË B.V.,
2) MAATSCHAPPIJ TOT EXPLOITATIE VAN ONROERENDE GOEDEREN "AMSTERDAM-SEMARANG" B.V.,
beide gevestigd te Amsterdam,
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: Mr. J.W. Lely,



tegen



1) [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2) [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3) [verweerder 3], in zijn hoedanigheid van curator van [A],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.



1. Het geding in feitelijke instanties


Verweerders in cassatie - verder te noemen [verweerders] - hebben bij exploot van 8 december 1981 eiseressen tot cassatie - verder te noemen Euraz en Amsem - en gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd:
(1) dat Euraz en Amsem een schriftelijk door hen ondertekende verklaring zullen afleggen van hetgeen zij van [betrokkene 1] onder zich hebben en/of zullen verkrijgen en/of aan [betrokkene 1] verschuldigd zijn en/of zullen worden;
(2) dat Euraz en Amsem voorts, nadat die verklaring zal zijn afgelegd en door [verweerders] is goedgekeurd, of - ingeval van tegenspraak - door de Rechtbank zal zijn bepaald hetgeen Euraz en Amsem onder zich hebben en/of zullen verkrijgen van en/of verschuldigd zijn en/of zullen worden aan [betrokkene 1], zullen worden veroordeeld om zodanige gelden en/of goederen - voor zover deze niet overtreffen het totale bedrag dat [verweerders] van [betrokkene 1] te vorderen hebben ingevolge het vonnis op 10 november 1981 door de Rechtbank te Breda gewezen tussen [verweerders] en [betrokkene 1] - aan [verweerders] af - en/of over te geven, in het eerste geval onder aftrek van of tegen voldoening door [verweerders] van de aan de zijde van Euraz en Amsem gemaakte kosten tot het doen der verklaring, in het tweede geval met veroordeling van Euraz en Amsem in de kosten gevallen op de verbetering van hun verklaring;
(3) dat Euraz en Amsem tenslotte, bij gebreke van het doen van de vereiste verklaring, zullen worden veroordeeld tot de voldoening van het bedrag van de vordering, waarvoor het beslag is gelegd, vermeerderd met de rente en kosten, evenals waren Euraz en Amsem daarvan zuiver schuldenaar en in dat geval met veroordeling van Euraz en Amsem in de kosten van het geding.
Euraz en Amsem hebben bij conclusie van antwoord een door hen ondertekende verklaring afgelegd, hierop neerkomende dat zij ten tijde van het leggen van het beslag niets aan [betrokkene 1] verschuldigd waren, noch sindsdien verschuldigd zijn geworden. Zij hebben voorts tegen voormelde vorderingen verweer gevoerd. Na voortgezet debat van partijen, heeft de Rechtbank bij vonnis van 22 juni 1983, met aanhouding van iedere verdere beslissing, een deskundigenonderzoek gelast naar de deugdelijkheid van voormelde, door Euraz en Amsem afgelegde verklaring.
Tegen dit vonnis hebben Euraz en Amsem hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij tussenarrest van 5 december 1984 heeft het Hof, met aanhouding van iedere verdere uitspraak, bepaald dat de zaak wederom zal worden uitgeroepen ter rolle, en dat partijen alsdan gelegenheid zullen hebben het Hof bij akte op de hoogte te stellen omtrent de stand van de procedures tussen [verweerders] enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds.
Bij eindarrest van 8 januari 1987 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en de zaak verwezen naar de Rechtbank te Amsterdam ter verdere afdoening.
De beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.



2. Het geding in cassatie


Tegen voormelde arresten van het Hof hebben Euraz en Amsem beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerders] zijn in cassatie niet verschenen.
De zaak is voor Euraz en Amsem toegelicht door hun advocaat.
De Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh heeft op 10 augustus 1988 geconcludeerd tot de vaststelling dat dit geding met de faillietverklaring van [betrokkene 1] een einde heeft genomen. Op verzoek van de Hoge Raad nader concluderende op 28 oktober 1988 heeft zij geconcludeerd tot handhaving van die conclusie.



3. Beoordeling van de middelen

3.1 De bestreden uitspraken zijn gewezen in een geding waarbij Euraz en Amsem op de voet van art. 741 Rv. zijn gedagvaard tot het doen van verklaring van hetgeen zij ten tijde van het bij exploit van 21 maart 1975 onder hen gelegde conservatoir beslag ten laste van [betrokkene 1], destijds wonende te Huizen, van deze onder zich hadden of aan hem verschuldigd waren. [betrokkene 1] is bij vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 9 februari 1988 in staat van faillissement verklaard; dit vonnis is bekrachtigd door het Hof te Amsterdam bij arrest van 17 maart 1988; het cassatieberoep tegen dit arrest is verworpen bij arrest van de Hoge Raad van 10 juni 1988. Deze faillietverklaring heeft ten gevolge dat dit geding dat strekt tot ten uitvoerlegging van een tegen [betrokkene 1] uitgesproken veroordeling, een einde heeft genomen en dat de deugdelijkheid van de door Euraz en Amsem in eerste aanleg afgelegde verklaring niet verder kan worden onderzocht (HR 28 mei 1915, NJ 1915 blz. 882). In verband met de in de bestreden uitspraak tegen hen uitgesproken kostenveroordeling behouden Euraz en Amsem evenwel belang bij het door hen ingestelde cassatieberoep.


3.2 Ingevolge art. 432 Rv. kan een vonnis waarbij, behalve de vordering in de hoofdzaak, tevens de vanwaardeverklaring van een ter verzekering van die vordering onder een derde gelegd conservatoir beslag is toegewezen, ook als voorlopige tenuitvoerlegging van dat vonnis niet mogelijk is, acht dagen na zijn betekening aan de schuldenaar tegen de derde worden ten uitvoer gelegd. Deze tenuitvoerlegging tegen de derde neemt een aanvang door de in art. 740 Rv. bedoelde betekening van het vonnis ( "van deugdelijk verklaring": art. 751) aan de derde en het te gelijk daarmede tegen deze instellen van de vordering tot het doen van verklaring (art. 741). Komt de schuldenaar vervolgens van het vonnis in hoger beroep, dan schorst dit beroep de verklaringsprocedure op het punt tot waar deze was gevorderd (vgl. HR 18 juni 1915, NJ 1915, blz. 891). Wordt het vonnis bekrachtigd, dan wordt de geschorste tenuitvoerlegging tegen de derde voortgezet door, acht dagen na betekening van de grosse van de uitspraak in hoger beroep aan de schuldenaar, het geding tot het doen van verklaring op dat punt te hervatten en in dat geding de appeluitspraak alsmede het exploit van betekening aan de schuldenaar over te leggen.
Er is onvoldoende grond aan te nemen dat niet hetzelfde zou gelden voor geval het hoger beroep van de schuldenaar ten gevolge heeft dat het vonnis in de hoofdzaak wordt vernietigd en de vordering tot een ander bedrag wordt toegewezen, opnieuw met van vanwaardeverklaring van het onder de derde gelegde beslag: noch de schuldenaar, noch de derde heeft daarbij een rechtens te respecteren belang. Derhalve moet worden aangenomen dat ook in dat geval de door het hoger beroep geschorste tenuitvoerlegging tegen de derde wordt voortgezet door, acht dagen na betekening van de uitspraak in hoger beroep aan de schuldenaar, het geding tot het doen van verklaring te hervatten en daarin, mede in verband met het bepaalde in art. 751, de appeluitspraak alsmede het exploit van betekening aan de schuldenaar over te leggen. Niet behoeft te worden gevergd dat overlegging van de uitspraak in hoger beroep gepaard gaat met een uitdrukkelijke verandering van de (grondslag) van de eis in het geding tot het doen van verklaring.
Een en ander geldt vanzelfsprekend dienovereenkomstig indien een vervolgens door de schuldenaar ingesteld beroep in cassatie, vernietiging van de uitspraak van de appelrechter en verwijzing van het geding tenslotte weer leiden tot enigerlei toewijzing van de vordering en vanwaardeverklaring van het gelegde beslag.



3.3 Op het onder 3.2 overwogene stuiten middel I - welk middel blijkens de schriftelijke toelichting van de raadsman van Euraz en Amsem strekt ten betoge dat "de vordering tot het afleggen van verklaring niet verder (kon) worden vervolgd" op de grondslag van, kort gezegd, "andere titels" - alsmede de middelen II en III af.
Aantekening verdient nog slechts dat het Hof niet behoefde te vermelden dat te dezen telkens is voldaan zówel aan het vereiste dat elke volgende uitspraak in de hoofdzaak vóór de hervatting van het geding tegen de derde is betekend aan de schuldenaar, als aan het vereiste dat die uitspraken alsmede de exploiten van betekening van die uitspraken in dat geding zijn overgelegd. Uit de gedingstukken blijkt immers dat aan die vereisten is voldaan, terwijl niet blijkt dat de derden dienaangaande enig verweer hebben gevoerd.



3.4 Nu geen van de voorgestelde middelen tot cassatie kan leiden, maar in verband met het onder 3.1 overwogene het beroep niet kan worden verworpen, moet worden beslist als volgt.



4. Beslissing


De Hoge Raad:
verstaat dat dit geding met de faillietverklaring van [betrokkene 1] een einde heeft genomen;
veroordeelt Europa-Azië en Amsterdam-Semarang in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Van Tuijns begroot op nihil.



Dit arrest is gewezen door de president Ras als voorzitter, de vice-president Martens en de raadsheren De Groot, Hermans en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Martens op 16 december 1988.