Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1986:AC9536

1986-10-24 Civiel recht 12711
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1986-10-24
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
12711
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 1987, 292 met annotatie van P.A. Stein | RvdW 1986, 174 | AR-Updates.nl 2022-0300 | VAAN-AR-Updates.nl 2022-0300

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Ziekte werknemer. Ontslagbescherming. Artikel 1639h lid 3 BW.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (20)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.821 tekens)
24 oktober 1986
Eerste Kamer
Nr. 12.711
AT




Hoge Raad der Nederlanden







Arrest

in de zaak van:




[eiser],
wonende te [woonplaats],
Eiser tot cassatie,
advocaat: Mr. R.A.A. Duk,



t e g e n




[verweerder],
wonende te [woonplaats],
Verweerder in cassatie,
advocaat: Mr. E. van Staden ten Brink.





1. Het geding in feitelijke instanties


Bij verzoekschrift van 3 november 1981 heeft eiser tot cassatie — verder te noemen [eiser] — zich gewend tot de Kantonrechter te Alkmaar en gevorderd te verklaren voor recht dat [eiser] nog immer in dienst is bij verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — en voorts [verweerder] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot doorbetaling van loon vanaf 1 augustus 1981.
Nadat [verweerder] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 29 juni 1983 de gevraagde verklaring voor recht geweigerd en onder aanhouding van iedere verdere uitspraak [verweerder] toegelaten tot het leveren van bewijs dat aan [eiser] het hem toekomende tot 19 augustus 1981 is uitbetaald.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Alkmaar.
Bij vonnis van 20 december 1984 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd, met verwijzing van de zaak naar de Kantonrechter ter verdere afdoening.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.




2. Het geding in cassatie


Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Verburg strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis.




3. Beoordeling van het middel


De Rechtbank gaat klaarblijkelijk ervan uit dat art. 1639h lid 3 BW de zieke werknemer slechts beoogt te beschermen tegen een ontslag dat wegens zijn ziekte wordt gegeven, alsmede tegen verkorting van de termijn die de werknemer voor sollicitatie overblijft. Dit uitgangspunt is onjuist. Het is in strijd met de duidelijke bewoordingen van die bepaling en miskent dat de bepaling mede ten doel heeft de werknemer te vrijwaren van de psychische druk welke een ontslagaanzegging tijdens zijn ziekte kan veroorzaken.
Nu de bepaling mede een bescherming van de werknemer in voege als voormeld ten doel heeft, kan niet worden aangenomen dat de uit het niet in acht nemen van art. 1639h lid 3 voortvloeiende nietigheid van de beëindiging, bedoeld in art. 1639o lid 5, kan worden ontgaan door een tijdens ziekte gedane opzegging te voorzien van het voorbehoud dat de dienstbetrekking pas zal eindigen nadat, na het herstel van de werknemer, de wettelijke opzegtermijn, te rekenen vanaf de datum van het herstel, zal zijn verstreken.
Voor zover het middel zich keert tegen het andersluidend oordeel van de Rechtbank, is het gegrond. Voor het overige behoeft het geen bespreking.




4. Beslissing


De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank van 20 december 1984;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [eiser] tot op deze uitspraak begroot op ƒ. 567,25 aan verschotten en ƒ. 2000,-- voor salaris.






Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Martens, Van den Blink, Roelvink en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Martens op 24 oktober 1986.