Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1986:AC9536
1986-10-24
Civiel recht
12711
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1986:AC9536 → ECLI:NL:PHR:1986:AC9536
Inhoudsindicatie
Ziekte werknemer. Ontslagbescherming. Artikel 1639h lid 3 BW.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (20)
- ECLI:NL:RBLIM:2026:8618 Rechtbank Limburg 02-09-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:1336 Rechtbank Oost-Brabant 03-03-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:174 Rechtbank Oost-Brabant 09-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:4496 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-07-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2024:5915 Rechtbank Overijssel 14-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1045 Parket bij de Hoge Raad 11-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:546 Parket bij de Hoge Raad 17-05-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:2820 Rechtbank Gelderland 13-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:5966 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-07-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:2598 Rechtbank Gelderland 04-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:92 Parket bij de Hoge Raad 20-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:92 Parket bij de Hoge Raad 20-01-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3207 Gerechtshof Amsterdam 15-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:846 Parket bij de Hoge Raad 23-09-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2021 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1186 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-04-2022
- ECLI:NL:HR:2022:276 Hoge Raad 18-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1014 Parket bij de Hoge Raad 01-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3921 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2019:591 Parket bij de Hoge Raad 03-05-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (3.821 tekens)
24 oktober 1986
Eerste Kamer
Nr. 12.711
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
Eiser tot cassatie,
advocaat: Mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
Verweerder in cassatie,
advocaat: Mr. E. van Staden ten Brink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij verzoekschrift van 3 november 1981 heeft eiser tot cassatie — verder te noemen [eiser] — zich gewend tot de Kantonrechter te Alkmaar en gevorderd te verklaren voor recht dat [eiser] nog immer in dienst is bij verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — en voorts [verweerder] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot doorbetaling van loon vanaf 1 augustus 1981.
Nadat [verweerder] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 29 juni 1983 de gevraagde verklaring voor recht geweigerd en onder aanhouding van iedere verdere uitspraak [verweerder] toegelaten tot het leveren van bewijs dat aan [eiser] het hem toekomende tot 19 augustus 1981 is uitbetaald.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Alkmaar.
Bij vonnis van 20 december 1984 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd, met verwijzing van de zaak naar de Kantonrechter ter verdere afdoening.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Verburg strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis.
3. Beoordeling van het middel
De Rechtbank gaat klaarblijkelijk ervan uit dat art. 1639h lid 3 BW de zieke werknemer slechts beoogt te beschermen tegen een ontslag dat wegens zijn ziekte wordt gegeven, alsmede tegen verkorting van de termijn die de werknemer voor sollicitatie overblijft. Dit uitgangspunt is onjuist. Het is in strijd met de duidelijke bewoordingen van die bepaling en miskent dat de bepaling mede ten doel heeft de werknemer te vrijwaren van de psychische druk welke een ontslagaanzegging tijdens zijn ziekte kan veroorzaken.
Nu de bepaling mede een bescherming van de werknemer in voege als voormeld ten doel heeft, kan niet worden aangenomen dat de uit het niet in acht nemen van art. 1639h lid 3 voortvloeiende nietigheid van de beëindiging, bedoeld in art. 1639o lid 5, kan worden ontgaan door een tijdens ziekte gedane opzegging te voorzien van het voorbehoud dat de dienstbetrekking pas zal eindigen nadat, na het herstel van de werknemer, de wettelijke opzegtermijn, te rekenen vanaf de datum van het herstel, zal zijn verstreken.
Voor zover het middel zich keert tegen het andersluidend oordeel van de Rechtbank, is het gegrond. Voor het overige behoeft het geen bespreking.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank van 20 december 1984;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [eiser] tot op deze uitspraak begroot op ƒ. 567,25 aan verschotten en ƒ. 2000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Martens, Van den Blink, Roelvink en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Martens op 24 oktober 1986.
Eerste Kamer
Nr. 12.711
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
Eiser tot cassatie,
advocaat: Mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
Verweerder in cassatie,
advocaat: Mr. E. van Staden ten Brink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij verzoekschrift van 3 november 1981 heeft eiser tot cassatie — verder te noemen [eiser] — zich gewend tot de Kantonrechter te Alkmaar en gevorderd te verklaren voor recht dat [eiser] nog immer in dienst is bij verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — en voorts [verweerder] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot doorbetaling van loon vanaf 1 augustus 1981.
Nadat [verweerder] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 29 juni 1983 de gevraagde verklaring voor recht geweigerd en onder aanhouding van iedere verdere uitspraak [verweerder] toegelaten tot het leveren van bewijs dat aan [eiser] het hem toekomende tot 19 augustus 1981 is uitbetaald.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Alkmaar.
Bij vonnis van 20 december 1984 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd, met verwijzing van de zaak naar de Kantonrechter ter verdere afdoening.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Verburg strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis.
3. Beoordeling van het middel
De Rechtbank gaat klaarblijkelijk ervan uit dat art. 1639h lid 3 BW de zieke werknemer slechts beoogt te beschermen tegen een ontslag dat wegens zijn ziekte wordt gegeven, alsmede tegen verkorting van de termijn die de werknemer voor sollicitatie overblijft. Dit uitgangspunt is onjuist. Het is in strijd met de duidelijke bewoordingen van die bepaling en miskent dat de bepaling mede ten doel heeft de werknemer te vrijwaren van de psychische druk welke een ontslagaanzegging tijdens zijn ziekte kan veroorzaken.
Nu de bepaling mede een bescherming van de werknemer in voege als voormeld ten doel heeft, kan niet worden aangenomen dat de uit het niet in acht nemen van art. 1639h lid 3 voortvloeiende nietigheid van de beëindiging, bedoeld in art. 1639o lid 5, kan worden ontgaan door een tijdens ziekte gedane opzegging te voorzien van het voorbehoud dat de dienstbetrekking pas zal eindigen nadat, na het herstel van de werknemer, de wettelijke opzegtermijn, te rekenen vanaf de datum van het herstel, zal zijn verstreken.
Voor zover het middel zich keert tegen het andersluidend oordeel van de Rechtbank, is het gegrond. Voor het overige behoeft het geen bespreking.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank van 20 december 1984;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [eiser] tot op deze uitspraak begroot op ƒ. 567,25 aan verschotten en ƒ. 2000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Martens, Van den Blink, Roelvink en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Martens op 24 oktober 1986.