Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1977:AC6104
1977-11-22
Strafrecht
69201
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1977:AC6104 → ECLI:NL:PHR:1977:AC6104
Inhoudsindicatie
Requirant niet-ontvankelijk. Beroep te laat ingediend.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2026:111 Parket bij de Hoge Raad 10-02-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (1.976 tekens)
22 november 1977
Nr. 69201
WH.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van [rekwirant], geboren op [geboortedatum] 1935 te [geboorteplaats] , van beroep restauranthouder, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring te Rotterdam, rekwirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 mei 1977, waarbij in hoger beroep is bevestigd — behoudens ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer van een in dat arrest nader omschreven voorwerp — een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 9 december 1976, bij welk vonnis de rekwirant ter zake van ‘’overtreding van artikel 2, eerste lid aanhef en sub d en onder A en onder C van de Opiumwet, opzettelijk gepleegd, meermalen gepleegd’’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren, met onttrokkenverklaring aan het verkeer van de voorwerpen in dat vonnis nader omschreven.
Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur;
Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald;
Gehoord de Advocaat-Generaal Kist in zijn conclusie strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het ingestelde beroep;
Overwegende blijkens een zich bij de stukken bevindende acte beroep in cassatie is ingesteld op 25 mei 1977 alzo na afloop van de bij de wet voorgeschreven termijn, zodat de rekwirant in zijn beroep niet kan worden ontvangen.
Verklaart de rekwirant niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Gewezen te ’s-Gravenhage bij Mrs. Moons, Vice-President, Fikkert, Royer, Van den Blink en Wijnholt, Raden, in bijzijn van de Griffier Reyers, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemde Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de twee en twintigste november 1900 zeven en zeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Kist.
Nr. 69201
WH.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van [rekwirant], geboren op [geboortedatum] 1935 te [geboorteplaats] , van beroep restauranthouder, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring te Rotterdam, rekwirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 mei 1977, waarbij in hoger beroep is bevestigd — behoudens ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer van een in dat arrest nader omschreven voorwerp — een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 9 december 1976, bij welk vonnis de rekwirant ter zake van ‘’overtreding van artikel 2, eerste lid aanhef en sub d en onder A en onder C van de Opiumwet, opzettelijk gepleegd, meermalen gepleegd’’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren, met onttrokkenverklaring aan het verkeer van de voorwerpen in dat vonnis nader omschreven.
Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur;
Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald;
Gehoord de Advocaat-Generaal Kist in zijn conclusie strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het ingestelde beroep;
Overwegende blijkens een zich bij de stukken bevindende acte beroep in cassatie is ingesteld op 25 mei 1977 alzo na afloop van de bij de wet voorgeschreven termijn, zodat de rekwirant in zijn beroep niet kan worden ontvangen.
Verklaart de rekwirant niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Gewezen te ’s-Gravenhage bij Mrs. Moons, Vice-President, Fikkert, Royer, Van den Blink en Wijnholt, Raden, in bijzijn van de Griffier Reyers, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemde Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de twee en twintigste november 1900 zeven en zeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Kist.