Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1959:AY0929

1959-10-14 Bestuursrecht; Belastingrecht 14 116
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1959-10-14
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
14 116
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | BNB 1959/356 met annotatie van P. den Boer

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; het Gerechtshof is niet gebonden aan een uitspraak over de loonbelasting van de Raad van Beroep ten aanzien van dezelfde belanghebbende over een voorafgaand belastingjaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (4)

Volledige tekst

Volledige tekst (14.228 tekens)
14 October 1959

No. 14116.
PV.




DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,



Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z], tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 Juni 1959 betreffende den hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1956;
Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende, die voor het jaar 1956 in de inkomstenbelasting werd aangeslagen naar een zuiver inkomen van F.6.650, -- , na vergeefse reclame zich heeft gewend tot het Hof;
Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven:
"dat belanghebbende als grief aanvoert, dat de Inspecteur de kosten van verwerving, door als zodanig niet aan te merken zijn uitgaven terzake van zijn studie voor belastingconsulent en door af te wijken van de uitspraak van de Raad van beroep voor de directe belastingen I te Rotterdam d.d. 17 november 1955, te laag heeft gesteld, zodat, aangezien de als kosten van verwerving aan te merken uitgaven F.677,- hebben belopen, zijn zuiver inkomen dient te worden bepaald op F. 6.073, --; dat hij ter zitting subsidiair heeft te kennen gegeven er ook mede genoegen te kunnen nemen dat van zijn studie- uitgaven 1/5 deel of F.92,30 als verwervingskosten zou worden aangemerkt, leidende zulks tot een zuiver inkomen van F. 6.442, --;
dat de Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak, stellende, dat belanghebbendes uitgaven terzake van studie, ook die welke in 1955 zijn betaald, geen kosten van verwerving zijn daar ze zijn gedaan ter verkrijging van kennis, welke de belanghebbende nog niet bezat, en voor de verwerving van het diploma van belastingconsulent van de Nederlandse Federatie van Belastingconsulenten, daarbij aanvoerende dat belanghebbendes kennis voor de aanvang zijner studie onvoldoende was voor de praktische uitoefening van zijn functie van belastingconsulent; "
Overwegende dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld:
"dat de belanghebbende bij zijn rechtenstudie aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam als keuzevak belastingrecht heeft gestudeerd en daarin na het volgen van een tweejarig college in 1953 tentamen heeft gedaan; dat hij in juli 1954 zijn doctorąal-examen rechten heeft afgelegd, waarna hij gedurende een korte tijd op het notariskantoor van zijn vader heeft gewerkt en aldaar enige, van geringe betekenis zijnde, ervaring heeft opgedaan omtrent de praktische toepassing van het belastingrecht;
dat hij eind 1954 als assistent-belastingconsulent in dienstbetrekking is getreden bij de belastingconsulenten en accountants [A], die hem daarbij, blijkens een ter zitting door de Inspecteur overgelegde en aan de belanghebbende bekende brief van 29 december 1954 van [B], de verplichting hebben opgelegd het examen voor belastingconsulent van de Nederlandse Federatie van Belastingconsulenten af te leggen, "omdat deze kennis noodzakelijk is voor een behoorlijke vervulling van zijn huidige functie op mijn kantoor", aldus [B];
dat de belanghebbende in juni en juli 1955 met succes het gedeelte van dat examen betrekking hebbende op boekhouden en bedrijfseconomie heeft afgelegd en in juli 1956 het examen voor belastingrecht, waarmede door hem aan de hem gestelde eis was voldaan;
dat hij per 1 januari 1957 als lid in de maatschap [A] werd opgenomen waardoor hij winstgerechtigd werd en hij zijn inkomen zag verdubbelen;
dat de belanghebbende de uitgaven voor de verwerving van het federatie-diploma zelf heeft moeten dragen en deswege geen vergoeding van de genoemde maatschap heeft ontvangen;
dat zijn werkgever hem op diens kosten vanaf september enige maanden colleges in belastinrecht heeft doen volgen aan de Economische Hogeschool te Tilburg waaraan een einde kwam in de loop van 1957 als gevolg van ziekte van [B] voornoemd ;
dat de belanghebbende terzake van het volgen van de opleiding voor de federatieexamens in 1955 F.712,50 en in 1956 F. 461,80 heeft uitgegeven;
dat hij daarnaast in verband met zijn functie als assistent-belastingconsulent in 1956 heeft uitgegeven F.20, -- wegens contributie Nederlandse Federatie van Belastingconsulenten, F.14,84 wegens vakliteratuur en in verband met zijn functie van reserve-officier F.37,65, totaal F.72,49; dat tussen partijen in confesso is, dat dit bedrag Van F.72,49 als kosten van verwerving is aan te merken;
dat tussen de belanghebbende en de Inspecteur terzake van de heffing van loonbelasting over het jaar 1955 geschil is gerezen omtrent de aftrekbaarheid als kosten van verwerving van belanghebbendes loon als assistent- belastingconsulent van het in dat jaar door hem bestede bedrag aan studieuitgaven ad F.712,50;
dat de Raad van beroep voornoemd bij zijn uitspraak van 17 november 1955, waarin door de Minister van Financiën uit beleidsoverwegingen is berust, heeft beslist, dat die F. 712,50 als kosten zijn aan te merken, evenwel met dien verstande, dat deze behoren te worden toegerekend aan vijf jaren, te beginnen met het jaar 1955, derhalve F.142,50 per jaar;
dat de belanghebbende met inachtneming hiervan komt tot een bedrag aan kosten van verwerving over 1956 van:














primair





subsidiair




niet in geschil


F. 72,49





F. 72,49




studieuitgaven 1955 1/5 X F. 712,50


F. 142,50





F. 142,50




studieuitgaven 1956


F. 461,80


1/5 X F. 461,80



92,30








F. 677,--





F. 308,--








Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:
"dat het Hof de belanghebbende niet kan volgen in zijn zienswijze dat een gebondenheid aan de vorenaangehaalde uitspraak van de Raad van beroep voor de directe belasting I te Rotterdam zou bestaan met betrekking tot de vaststelling van belanghebbendes zuiver inkomen over 1956 in die zin, dat daarbij een bedrag van F.142,50 als kosten van verwerving in aanmerking zou moeten worden genomen;
dat toch elke aanslag afzonderlijk moet worden vastgesteld en geen enkele wetsbepaling verbiedt een geschilpunt opnieuw te onderzoeken en te beslissen of anders te beslissen dan voorheen terwijl al evenmin enige wetsbepaling voorschrijft, dat het Hof is gebonden aan hetgeen met betrekking tot de regeling van de aanslag over een voorgaand jaar is aangenomen;
dat, indien de in 1955 gedane studieuitgaven inderdaad als kosten van verwerving zouden zijn aan te merken, die uitgaven als zodanige kosten, gelet op artikel 15 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, geheel ten laste van 1955 zouden dienen te zijn gebracht;
dat toch dit Besluit alleen in de vorm van afschrijvingen een spreiding van kosten over meerdere jaren kent en wel in de gevallen dat sprake is van de aanschaffing van een voor afschrijving vatbaar vermogensbestanddeel, hetgeen ten deze niet aanwezig is, daar verkregen kennis als zodanig niet kan gelden;
dat derhalve het in 1955 uitgegeven bedrag van F.142,50 niet als kosten van verwerving in mindering kan worden gebracht van belanghebbendes opbrengst van dienstbetrekking als assistent-belastingconsulent over 1956;
dat voorts naar 's Hofs oordeel aan de studieuitgaven gedaan in 1955 zowel als in 1956 niet het karakter van kosten van verwerving kan worden toegekend;
dat toch de omstandigheden dat de belanghebbende ten titel van assistent-belastingconsulent in dienstbetrekking is aangenomen bij de maatschap [A] en hem daarbij op zijn kosten - in tegenstelling tot later toen de kosten van het volgen van colleges in Tilburg wel werden vergoed - de verplichting is opgelegd het examen voor belastingconsulent af te leggen om de bovenoverwogen reden, doen uitkomen, dat in december 1954, toen de belanghebbende zijn betrekking aanvaardde, zijn vakkennis onvoldoende was en dat een versterking daarvan geboden was, ondanks zijn eerdere, doch niet post-doctorale, studie van het belastingrecht aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam en enige van geringe betekenis zijnde praktische ervaring, opgedaan tijdens zijn werkzaam zijn op het notariskantoor van zijn vader;
dat ook het feit, dat die eerdere studie, gezien de uitgebreidheid van de stof, slechts twee jaren heeft geduurd en naar het Hof uit eigen wetenschap bekend is anders is gericht en minder omvangrijk is dan voor het federatiediploma wordt vereist, in aanmerking genomen dat tegelijkertijd ook andere delen van het recht zijn bestudeerd, uitwijst, dat belanghebbendes kennis van het belastingrecht en wat daarbij verder behoort, beperkt was en aanvulling behoefde;
dat dan ook niet kan worden aangenomen dat in 1955 en 1956 de studieuitgaven zijn gedaan terzake van het op peil houden en opfrissen van ter beschikking staande kennis, zoals de belanghebbende heeft betoogd, doch dat moet worden aangenomen dat die studieuitgaven betrekking hebben op de verkrijging en uitbreiding van de aan belanghebbende ontbrekende vakkennis en vakbekwaamheid en dat zij hebben gestrekt tot de versterking en de verbetering van zijn positie;
dat dit zijn bevestiging vindt in het feit, dat de belanghebbende na verloop van korte tijd, nadat hij aan alle vereiste examens voor het federatiediploma had voldaan, als lid in de maatschap [A] is opgenomen en aldus zijn inkomen belangrijk zag toenemen;
dat aan de studie een versterking van positie ten grondslag ligt vindt mede bevestiging in belanghebbendes mededeling ter zitting, dat het bezit van het federatie-diploma werd nodig geoordeeld met het oog op mogelijk in de toekomst aan belastingconsulenten te stellen vestigingseisen in verband met een door dezen verlangde bescherming van hun titel;
dat uit het vorenstaande volgt dat belanghebbendes subsidiaire stelling buiten behandeling kan blijven en dat zijn kosten van verwerving niet meer belopen dan het hierboven genoemde bedrag van F.72,49, te verhogen tot het wettelijk minimum van F.100, --; "
Overwegende dat het Hof dienvolgens de beschikking van den Inspecteur heeft gehandhaafd;
Overwegende dat belanghebbende tegen deze uitspraak als middel van cassatie heeft voorgedragen:
"Schending van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken in verband met artikel 14 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 doordat het Gerechtshof:

1. zonder zulks te motiveren in zijn uitspraak slechts rekening houdt met de door de Inspecteur ter zitting overgelegde werkgeversverklaring van 29 december 1954, terwijl door belanghebbende in 1955 een meer geconcretiseerde werkgeversverklaring aan de Inspecteur is ter hand gesteld, waarop hij zich ter zitting van 11 mei 1959 herhaaldelijk en met klem beroepen heeft en waarvan noch op de zitting van november 1955 noch op die van mei 1959 de Inspecteur de juistheid heeft betwist. ;
2. in zijn uitspraak concludeert, dat er geen gebondenheid aan de uitspraak van de Raad van Beroep d.d. 17 november 1955 bestaat met betrekking tot de vaststelling van het inkomen in 1956, welke conclusie onjuist, maar vooral onbillijk is, daar de Minister zich - om hem moverende redenen - heeft neergelegd bij de door de Raad van Beroep voorgeschreven verdeling van de kosten over vijf jaar, waarmede feitelijk vaststond, dat de gemaakte kosten kosten van verwerving waren en belanghebbende dan ook op aftrek in de komende jaren mocht rekenen;
3. overweegt ""dat het Besluit alleen in de vorm van afschrijvingen een spreiding over meerdere jaren kent en wel in de gevallen, dat sprake is van de aanschaffing van een voor afschrijving vatbaar vermogensbestanddeel, hetgeen ten dezen niet aanwezig is, daar verkregen kennis niet als zodanig kan gelden "", ten onrechte, daar de omschrijving in artikel 14 enuntiatief is en niet limitatief, terwijl in casu deze bepaling analoog dient te worden geinterpreteerd;
4. zonder voldoende motivering heeft beslist, dat de studiekosten geheel als kosten van verwerving buiten aanmerking dienen te worden gelaten, zulks zonder in te gaan op de ter zitting aangevoerde argumenten; "

Overwegende dienaangaande: dat de eerste grief blijkens de daarvan gegeven toelichting betrekking heeft op een verklaring, waarop belanghebbende zich, naar hij stelt, ter zitting van het Hof heeft beroepen;
dat van deze verklaring in de stukken, waarvan de Hoge Raad kennis neemt, geen gewag wordt gemaakt en deze grief derhalve feitelijken grondslag ontbeert; dat geen wettelijk voorschrift het Hof verbiedt een bepaald geschilpunt te beslissen in een anderen zin dan de Raad van Beroep ten opzichte van denzelfden belanghebbende met betrekking tot diens aanslag over een voorafgaand belastingjaar had gedaan;
dat, naar het Hof terecht heeft overwogen, verworven kennis niet valt te rangschikken onder de goederen, waarop artikel 14 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 afschrijving toelaat;
dat, zou het Hof aan door belanghebbende ter zitting aangevoerde argumenten, als in het middel vermeld, stilzwijgend zijn voorbij gegaan, het door aldus niet alle argumenten te weerleggen, die belanghebbende voor zijn door het Hof niet aanvaard standpunt meende te moeten opwerpen, in motivering niet te kort schoot;
dat derhalve de grieven falen;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren Smits, Vice-President, van Rijn Van Alkemade, van der Loos, Tekenbroek en Korthals Altes, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter raadkamer van veertien October 1900 negen en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Verstraaten.