Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1956:AY2102

1956-06-13 Bestuursrecht; Belastingrecht 12 794
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1956-06-13
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
12 794
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | BNB 1956/238

Inhoudsindicatie

Werknemer van NV. Aandeelhouders. Aandelen. Opbrengst van dienstbetrekking.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (7)

Volledige tekst

Volledige tekst (13.820 tekens)
13 Juni 1956 .-


No . 12.794 .-

L.



DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,



Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen aldaar van 27 Januari 1956 betreffende den hem opgelegden aanslag tot navordering van inkomstenbelasting over het jaar 1952;
Gezien de stukken;
Overwegende dat aan belanghebbende, in gemelde belasting aanvankelijk aangeslagen naar een zuiver inkomen van 1.51.280 .- , een aanslag tot navordering werd opgelegd, berekend naar een zuiver inkomen van f. 53.453 .-;
Overwegende dat belanghebbende tegen dezen navorderingsaanslag in beroep is gekomen bij den Raad van Beroep, die echter dien aanslag heeft gehandhaafd; na te hebben overwogen;
"dat als tussen partijen onbetwist is komen vast te staan;
dat belanghebbende secretaris is van de Raad van Beheer der N. V. [A], gevestigd te [Q] en uitoefenende een destructiebedrijf; dat artikel 12 van de statuten van deze N.V. bepaalt:
"De leden van de Raad van Beheer moeten houder zijn van een of meer aandelen, tenzij zij bij hun benoeming van deze verplichting worden vrijgesteld". dat op 30 Januari 1952 een buitengewone vergadering van aandeelhouders der N.V. werd gehouden; dat de notulen van deze vergadering o.m. inhouden:
"Ter toelichting op het volgende punt van de agenda, nl. het voorstel om aan de Raad van Beheer machtiging te verlenen tot de uitgifte van 20 aandelen, deelt de voorzitter mede, dat het van de zijde van de aandeelhouders in overweging is gegeven de Raad van Beheer in de gelegenheid te stellen zich in het aandelenkapitaal van de vennootschap te interesseren. Overeenkomstig de statuten is voor de uitgifte van aandelen de machtiging van aandeelhouders nodig. De Voorzitter verzoekt de vergadering deze machtiging te verlenen en wel in die zin, dat de Raad van Beheer gemachtigd wordt om tot uitgifte over te gaan van 20 onderaandelen, genummerd XVII A t/m T, voorzien van dividendbewijzen no.14 en volgende, à pari en tegen contante betaling. Deze aandelen zullen door de leden van de Raad van Beheer worden verdeeld en wel in dier voege dat de voorzitter zelf 10 aandelen neemt en de [B] en [C] ieder 5 aandelen. De vergadering besluit met algemene stemmen de gevraagde machtiging te verlenen".
dat de leden van de Raad van Beheer vervolgens à pari en tegen contante betaling de in de notulen vermelde aantallen aandelen hebben genomen; dat belanghebbende aldus vijf aandelen van f.500 .-- tegen betaling van f.2.500 .- verkreeg; dat de Inspecteur bij de regeling van de bestreden navordering aanslag heeft aangenomen, dat de werkelijke waarde der aandelen destijds 120% bedroeg en het verschil (f. 500.- ) tussen deze waarde en de uitgiftekoers als opbrengst van dienstbetrekking heeft aangemerkt; dat belanghebbende in November 1952 nog twintig aandelen van f.500 .- ter beurze heeft gekocht tegen een koers van 120%;
dat belanghebbende als grond van zijn beroep heeft aangevoerd, allereerst, dat de werkelijke waarde van de door hem à pari genomen aandelen de nominale waarde niet te boven ging; dat de N.V. een sterk conjunctuurgevoelig bedrijf uitoefent en onder een scherpe en kostbare contrôle Van het Ministerie van Sociale Zaken staat; dat haar aandelen in weinige, kapitaalkrachtige handen zijn en praktisch nooit worden verhandeld; dat, wanneer een N.V. onder deze omstandigheden haar directie dwingt in te schrijven op een aandelenemissie, zij geen hogere dan de parikoers kan bedingen; dat bovendien, al werden aandelen aan toonder uitgegeven, op de inschrijvende directeuren, gezien de opzet dezer emissie, de morele verplichting rustte de door hen verk kregen aandelen niet te verhandelen; dat daarom de waarde van deze aandelen niet gelijkgesteld kan worden met de door hem, belanghebbende, in 1952 ter beurze betaalde koers; dat in die koers reeds een geaccumuleerd dividend van 18% over het voorafgaande gedeelte van het jaar was verdisconteerd; dat dan ook veeleer aannemelijk is, dat de werkelijke waarde van de door hem à pari genomen aandelen 100% was; dat het de bedoeling der N.V. was privé-gelden der directieleden in haar bedrijf voor lange tijd vast te leggen en niet aan deze directie een onbeduidend voordeel (in zijn, belanghebbendes, geval f.500 .- bij f. 11.315 .- aan salaris en tantième) te gunnen;
dat belanghebbende subsidiair heeft aangevoerd, dat ook indien de werkelijke waarde van de onderhavige aandelen hoger zou zijn geweest dan de nominale waarde, het waardeverschil niet als opbrengst van dienstbetrekking had mogen zijn aangemerkt; dat zonder nadere toelichting duidelijk is, dat geen voordeel in geld werd genoten; dat ook van een voordeel in natura niet kan worden gesproken; dat onder loon in natura moet worden verstaan hetgeen de arbeider zonder betaling van de werkgever ontvangt (b.v. kleding, geschenken, e.d. ); dat 's Inspecteurs opvatting voorts in strijd is met het in de Leidraad bij het Besluit Inkomstenbelasting 1941 uitgesproken beginsel, dat deze belasting eerst wordt geheven, wanneer het verworvene de geldvorm heeft aangenomen; dat bovendien het door de Inspecteur veronderstelde waardeverschil de kapitalisatie is van verwacht extra dividend, welk dividend bij uitkering zal worden belast; dat het arrest van de Hoge Raad d.d. 18 November 1953 (B.N.B: 1954/19) geheel steunt op de feitelijke beslissing van de Raad van Beroep omtrent het tussen de toekenning van tantième en de inschrijving à pari bestaande verband; dat in het onderhavige geval het element van beloning ten enen male ontbreekt, zoals hierboven is uiteengezet; dat wel toepasselijk moet worden geacht het arrest van 18 Mei 1955 (B.N.B. 1955/259); dat de door de Inspecteur veronderstelde bevoordeling zich niet in de inkomens-, doch in de kapitaalssfeer afspeelt; dat bij de uitgifte van aandelen twee momenten moeten worden onderscheiden, nl. de uitgifte zelf en de waardestijging; dat eerstbedoeld moment zich afspeelt tussen de N.V. en degenen, die aandelen verwerven, het tweede tussen de nieuwe en de oude aandeelhouders; dat laatstgenoemden door het prijsgeven van hun voorkeursrecht een vermogensverschuiving t.g.v. de nieuwe aandeelhouders veroorzaken, culminerend in een verschuiving van de toekomstige winstverdeling; dat, indien een employé bij zijn Nederlandse werkgever een gedeelte van zijn in dollars te betalen salaris tegoed heeft en de guldenswaarde van dit tegoed door devaluatie van de Nederlandse gulden stijgt, het door deze employé genoten valuta-voordeel niet opbrengst van dienstbetrekking vormt; dat de vraag gesteld mag worden, hoe de Inspecteur gehandeld zou hebben, wanneer de uitgegeven aandelen minder dan 100% waard zouden zijn geweest; dat tenslotte overgelegd moge worden een afschrift Van de uitspraak d.d. 25 April 1955 no. 20164 van de Raad van Beroep te Utrecht, waarbij de aan de voorzitter van de Raad van Beheer opgelegde navorderingsaanslag, betrekking hebbende op het verschil tussen emissiekoers en werkelijke waarde van de door deze voorzitter à pari genomen aandelen, werd vernietigd; dat tegen deze uitspraak geen beroep in cassatie is aangetekend;
dat de Inspecteur hiertegenover op in het vertoogschrift nader aangevoerde gronden de juistheid van de bestralen aanslag heeft volgehouden en ter zitting nog heeft gesteld, dat belanghebbende voor het eerst ter zitting aanvoert, dat de geldswaarde der onderhavige aandelen ten tijde van de emissie 100% was; dat de Inspecteur der belastingen te [Q] deze geldswaarde op 250% vaststelde; dat door verscheidene aandeelhouders voor de Vermogensbelasting over het belastingjaar 1952 een koers van 200% als geldswaarde werd aangegeven; dat de geldswaarde na herkapitalisatie in 1952 per 1 Januari 1953 in overleg met de Inspecteur der belastingen te [Q] op 125% werd bepaald; dat beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Raad van Beroep te Utrecht door de Inspecteur der belastingen te [Q] is voorgesteld; dat de Staatssecretaris van Financiën heeft medegedeeld er de voorkeur aan te geven in die uitspraak te berusten omdat door de Inspecteur niet voldoende duidelijk was gesteld, dat opbrengst van dienstbetrekking aanwezig moest worden geacht;
dat belanghebbende ter zitting nog heeft geantwoord, dat de houder van de helft van het aantal geplaatste aandelen bij zijn aangifte voor de vermogensbelasting over het belastingjaar 1952 deze aandelen aangaf voor een geldswaarde van 150%;
dat, omtrent hetgeen door belanghebbende primair is aangevoerd, de Raad, gelet op hetgeen door de Inspecteur (onweersproken) en door belanghebbende zelf is gesteld omtrent de door aandeelhouders per 1 Januari 1952 aangegeven waarde van aandelen in de N.V., aannemelijk acht, dat de geldswaarde der door belanghebbende à pari verkregen aandelen niet lager was dan 120%; dat toch onwaarschijnlijk is, dat deze aandeelhouders een te hoge waarde zouden hebben aangegeven;
dat wat betreft het door belanghebbende subsidiair aangevoerde, nu belanghebbende de aandelen krachtens zijn dienstbetrekking verwierf, voor hem het verschil tussen emissiekoers en werkelijke waarde als opbrengst in natura van die dienstbetrekking moet worden beschouwd;
dat hieraan niet afdoet, dat de werkelijke waarde wellicht in belangrijke mate berustte op dividendverwachtingen en evenmin, dat de N.V. het bedrag van het waardeverschil niet ten Laste van haar winst kan brengen, omdat door haar agio en niet winst werd opgeofferd;"
Overwegende dat belanghebbende tegen deze uitspraak als middelen van cassatie aanvoert:
I. Schending althans verkeerde toepassing van artikel 16 der Wet van 19 December 1914, Staatsblad no.564, doordat de Raad van Beroep heeft beslist, dat de geldswaarde der door belanghebbende à pari verkregen aandelen der N.V. [A] niet lager was dan 120%, zulks ofschoon feitelijk en onweersproken vaststaat, dat belanghebbende eind 1952 ter beurze aandelen had gekocht tegen 120%, waarin 18% over dat jaar verdiend dividend geaccumuleerd was (dus in feite tegen 102%), kunnende overigens de motivering van de Raad, dat aandeelhouders de waarde van hun aandelen voor de vermogensbelasting tegen een hogere koers hadden aangegeven, zijn conclusie niet dragen, aangezien het hier immers de aangiften van groot-aandeelhouders betrof en de waardering van hun aandelenpakket naar geheel andere maatstaven pleegt en dient te geschieden dan de waardering van enige luttele aandelen;
II. Schending althans verkeerde toepassing van de artikelen 5,13,lid 2, 15,25 en 26 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en artikel 16 der wet van 19 December 1914, Staatsblad no.564, doordat de Raad heeft beslist, dat het verschil tussen de emissiekoers (100%) en de werkelijke waarde (120%) der door belanghebbende verworven aandelen der N.V. [A] als opbrengst in natura van zijn dienstbetrekking bij deze N.V. moet worden beschouwd, zulks ten onrechte, daar onder opbrengst uit dienstbetrekking uitsluitend dient te worden verstaan hetgeen de werknemer bij wege van beloning voor zijn arbeid geniet en de in aasu plaatsgevonden uitgifte van aandelen tegen betaling van de parikoers niet als een zodanige beloning aan te merken is, doch gezien hun onverkoopbaarheid en incourantheid veeleer als een op den werknemer gelegde financiële last en, daar bovendien het verschil tussen den parikoers en de werkelijke waarde, gesteld al dat een dergelijk verschil ten tijde der verwerving aanwezig zou zijn geweest, niet is een opbrengst in natura;
Overwegende ten aanzien van het eerste middel:
dat de Raad van Beroep op grond van de in de uitspraak vermelde feiten en omstandigheden kon en mocht beslissen, dat de geldswaarde van de onderhavige aandelen voor belanghebbende niet lager was dan 120%;
dat de Raad tot het nemen van deze beslissing zich niet behoefde te laten weerhouden door de omstandigheid, dat belanghebbende aandelen als de onderhavige in het einde van 1952 ter beurze had gekocht tegen een koers van 120%, waarin 18% over dat jaar verdiend dividend begrepen zou zijn geweest;
dat voorts de in het middel aangevoerde stelling, dat de Raad zijn schatting van de aandelen op 120% niet had mogen motiveren met een beroep op het feit, dat aandeelhouders de waarde van hun aandelen voor de vermogensbelasting tegen een hogeren koers hadden aangegeven, omdat het hier de aangiften van groot-aandeelhouders betrof, ongegrond is, omdat de schatting van de aandelen van belanghebbende op 120% niet onverenigbaar is, met de schatting van 150% door een groot-aandeelhouder;
dat tegen de schatting van den Raad, als van feitelijken aard, niet met vrucht in cassatie kan worden opgekomen;
Overwegende aangaande het tweede middel:
dat de stelling van dit middel, dat als opbrengst van dienstbetrekking uitsluitend dient te worden verstaan hetgeen de werknemer bij wege van beloning voor zijn arbeid geniet, in de wet geen steun vindt, aangezien de bron van inkomen, welke volgens de artikelen 26 en volgende van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 in aanmerking komt, niet is de arbeid, doch de dienstbetrekking van den belastingplichtige;
dat, nu de Raad van Beroep heeft aangenomen, dat het door belanghebbende als gevolg van zijn verkrijging van de onderhavige aandelen à pari genoten voordeel krachtens zijn dienstbetrekking is verworven, dit voordeel op grond van de artikelen 13 en 26 van voormeld Besluit aan inkomstenbelasting is onderworpen;
dat mitsdien ook dit middel is ongegrond;


Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren Nypels, Vice-President, Dubois, Van Rijn van Alkemade, Wiarda en Houwing, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den dertienden Juni 1900 zes en vijftig, in tegenwoordigheid Van den Substituut-Griffier Reyers.