Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1935:327

1935-01-24 Civiel recht 6951
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1935-01-24
Publicatiedatum
2023-09-29
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
6951
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Executie- en beslagrecht. Levert de grosse van een authentieke akte een executoriale titel op als bedoeld in art. 436 (oud) Rv als het verschuldigde bedrag niet uit de akte blijkt, maar aan de hand van een daarin beschreven procedure bindend voor de schuldenaar kan worden vastgesteld?

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.901 tekens)
De Hooge Raad der Nederlanden,

in de zaak (No. 6951) van:
de Naamlooze Vennootschap Geldersche Credietvereeniging, gevestigd en kantoor houdende te Arnhem, eischeres tot cassatie van een tusschen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 13 Juni 1934, vertegenwoordigd door Mr. A.E.J. Nysingh, advocaat bij den Hoogen Raad,
Tegen:

1°. [verweerder], wonende te [woonplaats] , verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. E.O. Goldstein, advocaat bij den Hoogen Raad.

2°. Mr. R.C. Bakhuizen van den Brink, advocaat en procureur te Heemstede en Mr. A. Bruch, advocaat en procureur te Haarlem, in hunne hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de naamlooze vennootschap ‘’Die Haghe Onderlinge Spaarkassen’’, mede-verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. A. Mout, advocaat bij den Hoogen Raad;
Gehoord den raadsman van eischeres en dien van den verweerder onder 1°;
Gehoord den Advocaat-Generaal Wijnveldt in zijne conclusie, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest, tot terugwijzing der zaak naar het Gerechtshof en veroordeeling van verweerder in de kosten der procedure in cassatie, ook in die gevallen aan zijde der overige verweerders;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest en uit het vonnis van den President der Arrondissements-Rechtbank te Assen van 27 Januari 1934, waarnaar in het arrest wordt verwezen, blijkt, dat op 28 Februari 1931 ten overstaan van den notaris Middendorp te Nieuw-Amsterdam is verleden een akte, waarbij verweerder [verweerder] ten behoeve van eischeres (de Geldersche Credietvereeniging), tot zekerheid van al hetgeen deze van hem te vorderen had en te eeniger tijd te vorderen mocht hebben, recht van hypotheek verleende op eenige onroerende goederen en wel tot het beloop van f. 5000.- benevens van f. 750.- voor door [verweerder] verschuldigde renten en kosten, samen alzoo voor f. 5750.-, zulks onder verschillende bedingen, waaronder het navolgende:
‘’dat ten aanzien van het bedrag en de oorzaak van het bij de opeisching verschuldigde, waarvoor mitsdien het verbonden goed in beslag genomen of krachtens de vermelde onherroepelijk bedongen bevoegdheid verkocht zal kunnen worden, comparant zal genoegen nemen met, en zich gedragen aan de boekingen der Geldersche Crediet Vereeniging, zoodat hij voor alsdan toestemt, dat de in het credit zijner rekening te boeken bedragen gerekend worden in de eerste plaats te strekken in mindering van het door hem uit anderen hoofde dan wegens verloopen rente verschuldigde en dat de executie of de verkoop geschiede voor het saldo der door haar opgemaakte en voor conform hare boeken geteekende rekening met renten en kosten, alles behoudens zijn recht om van de Geldersche Crediet Vereeniging, afgifte te vorderen van het bedrag, waarmede de krachtens executie of verkoop door haar ontvangen penningen het haar werkelijk verschuldigde mochten overtreffen.’’
dat bij exploit van 24 October 1933 door eischeres aan [verweerder] is beteekend een rekening-courant aanwijzende een debet-saldo van f. 5353.31, terwijl werd opgezegd het aan hem door eischeres verleend crediet met bevel om binnen 2 dagen tegen kwijting en bereidverklaring tot royement te betalen evenvermeld bedrag, dat daarna eischeres op 18 November 1933 in executoriaal beslag heeft genomen de bedoelde voor de schuld verbonden onroerende goederen, welk beslag werd overgeschreven ten hypotheekkantore en beteekend aan de medeverweerders in hunne hoedanigheid, nu aan de Naamlooze Vennootschap Die Haghe Onderlinge Spaarkassen te voren, op 15 Augustus 1924, op één der perceelen hypotheek was verleend;
dat [verweerder] zich gewend heeft tot den President der Arrondissements-Rechtbank te Assen en in kort geding heeft verzocht, dat de President zou gelasten de schorsing der ten uitvoerlegging van de grosse der gemelde notarieele acte van 28 Februari 1931, omdat hij het vorderingsrecht van eischeres ontkende en omdat de grosse dier akte niet zou zijn een executoriale titel;
dat eischeres de vordering heeft bestreden en de medeverweerders verstek hebben laten gaan, waarna de President bij bovenvermeld vonnis aan [verweerder] diens vordering heeft ontzegd;
dat [verweerder] in hooger beroep is gekomen, eischeres dit heeft bestreden en de medeverweerders zich hebben gerefereerd aan het oordeel van het Hof, terwijl het Hof bij het bestreden arrest het vonnis van den President heeft vernietigd en heeft bevolen de schorsing van de tenuitvoerlegging van meergenoemde grosse;
dat het Hof daarbij heeft overwogen, zooals in onderstaand middel is vermeld;
Overwegende dat in cassatie de mede-verweerders zich hebben gerefereerd aan het oordeel van den Hoogen Raad, terwijl eischeres als middel heeft gesteld:
Schending of verkeerde toepassing van artikel 436 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in verband met de artikelen 48, 289, 430, 437, 438, 491, 499, 501, 502, 503, 504 en 505 van dat Wetboek en 1208, 1221, 1356, 1369 en 1370 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het Hof heeft overwogen en beslist, dat de eerste door verweerder [verweerder] als appellant aangevoerde grief gegrond is,
omdat al moge appellant blijkens de bepaling in deze akte, dat hij zich ten aanzien van het bedrag en de oorzaak der schuld zal gedragen naar en genoegen zal nemen met de boekingen van geintimeerde, sub.1, er in hebben toegestemd, dat de executoriale verkoop zou geschieden voor het saldo der door geintimeerde sub.1 opgemaakte en door haar conform hare boeken geteekende rekening, dit niet wegneemt, dat uit de akte zelve de hoegrootheid van het door appellant verschuldigde bedrag niet kan blijken en deze akte daarom geen titel voor deze schuld van appellant bevat en derhalve niet vormt een executoriale titel als bedoeld in artikel 436 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
en op grond daarvan met vernietiging van het vonnis a quo de schorsing van de tenuitvoerlegging van de grosse van de akte van 28 Februari 1931 te bevelen, totdat in gewijsde zal zijn gegaan een uitspraak van den bevoegden rechter, mede-brengende een verplichting van verweerder [verweerder] tot betaling aan eischeres uit krachte van eene loopende rekening als in voormelde notarieele acte bedoeld; met opheffing van het door eischeres gelegde executoriale beslag en verdere beslissingen als in het arrest opgenomen,
ten onrechte,
omdat de executoriale kracht van de grossen van binnen het Koninkrijk verleden authentieke akten door de wet niet is beperkt tot die gevallen, waarin uit de akte zelve de hoegrootheid van het door den debiteur verschuldigde bedrag kan blijken, doch mede bestaat in die gevallen-zooals het onderhavige – waarin zulks zich niet voordoet, doch waarin de akte den weg aangeeft, waarlangs, zij het buiten den Rechter om, die hoegrootheid op voor den debiteur bindende wijze kan worden vastgesteld, in welke gevallen die akte wel degelijk de titel bevat voor de schuld en een executoriale titel vormt in den zin van artikel 436 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
Overwegende hieromtrent:
dat in artikel 436 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de grossen van hier te lande verleden authentieke akten dezelfde executoriale kracht wordt toegekend als aan vonnissen van de rechterlijke macht;
dat het Hof heeft beslist, dat de bovenvermelde notarieele akte van 28 Februari 1931 geen titel is als bedoeld in genoemd artikel, wijl uit die akte zelve de hoegrootheid van het verschuldigde bedrag niet kan blijken;
dat evenwel zoodanige beperking in de wet niet is gesteld, ook niet in artikel 499 van het Wetboek, en voor ten uitvoerlegging vatbaar is ook de grosse eener akte, wanneer deze den weg aangeeft langs welken op voor den schuldenaar bindende wijze het krachtens de akte verschuldigd bedrag kan worden vastgesteld;
dat dit hier het geval is blijkens den bovenvermelden inhoud der akte en deze derhalve oplevert een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel;
dat het middel mitsdien gegrond is;
Vernietigt het bestreden arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden;
Verwijst het geding naar dat Gerechtshof ten einde, met inachtneming van deze uitspraak, de zaak verder te behandelen en te beslissen;
Veroordeelt verweerder [verweerder] in de kosten op de cassatie gevallen, tot op de uitspraak van dit arrest aan zijde van eischeres begroot op Vier en Veertig Gulden Negentig Cents aan verschot en op Vier Honderd Vijftig Gulden voor salaris, en aan zijde van de mede-verweerders op Vijf en Twintig Gulden voor verschot en salaris tezamen.
Gedaan bij de Heeren Visser, Vice-President, van Gelein Vitringa, Polak, de Menthon Bake en Servatius, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den Vier en Twintigsten Januari 1900 vijf en dertig, in bijzijn van den Advocaat-Generaal Wijnveldt.