Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1931:168
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1931:168 → ECLI:NL:PHR:1931:3
Inhoudsindicatie
Uitgetypte versie van het HR-arrest in de strafzaak met HR-zaaknummer 2350 aan de hand van de in NJ 1932 p. 550 e.v. opgenomen tekst daarvan. Het originele HR-arrest is niet meer voorhanden. Herziening. Zware mishandeling door met geschoeide voet een ander in zijn onderbuik te schoppen, waarna deze in ziekenhuis is geopereerd, art. 302 Sr. Veroordeling tot (deels voorwaardelijke) tuchtschoolstraf en toewijzing van civiele vordering van beledigde partij. 1. Aangevoerd wordt dat na wijzen van vonnis is gebleken dat opnemen in ziekenhuis van aangever en operatief ingrijpen niet noodzakelijk waren, althans geen verband hielden met het door aanvrager toegebrachte lichamelijke letsel, ten bewijze waarvan bij aanvraag een ondertekende verklaring van geneesheer, die aangever heeft geopereerd, is overgelegd, art. 457.2 Sv. 2. Ontvankelijkheid herzieningsaanvraag van vonnis m.b.t. toewijzing van civiele vordering van beledigde partij. Ad 1. Verklaring van geneesheer houdt in dat hij aanvrager heeft geopereerd zonder dat hij vóór operatie bij hem breuk kon vaststellen, dat hij alleen opereerde omdat huisarts bij aangever een breuk had vastgesteld en omdat ouders wensten dat deze breuk werd geopereerd, dat het meer voorkomt dat breuk niet gemakkelijk is aan te tonen, en dat bij operatie geen breuk noch andere afwijking werd gevonden. Dit alles doet ernstig vermoeden ontstaan dat, ware het de rechter destijds bekend geweest, onderzoek van zaak hem zou hebben geleid zo niet tot vrijspraak van aanvrager dan toch tot toepasselijkverklaring van minder zware strafbepaling en dat ook t.a.v. ingestelde civiele vordering een andere beslissing zou zijn gegeven. Ad 2. Aanvrager heeft ttz. van HR te kennen gegeven dat aanvraag tot herziening het vonnis in zijn geheel betreft. Aanvrager is in die aanvraag ontvankelijk, nu vonnis een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak, die veroordeling inhoudt, is waarvan ex art. 457 Sv herziening kan worden aangevraagd. Wanneer een van de in art. 457 Sv genoemde gronden aanwezig is, betreft herziening het vonnis in zijn geheel met al de daarin voorkomende beslissingen, tenzij uit aanvraag het tegendeel volgt. Ook uit art. 473 Sv blijkt dat wetgever ervan is uitgegaan dat beslissing omtrent ingestelde civiele vordering niet buiten herziening zal blijven. Volgens dit art. wordt rechtsgeding in verwezen zaak bij hof gevoerd met overeenkomstige toepassing van onder andere art. 413, 415 en 421 Sv. Art. 413 Sv houdt in dat aan beledigde partij, die zich in eersten aanleg in geding heeft gevoegd, dag moet worden aangezegd, waarop zaak ttz. zal worden behandeld. Art. 415 Sv verklaart onder andere art. 332-337 Sv omtrent beledigde partij van overeenkomstige toepassing. Ook art. 421 Sv houdt voorschriften omtrent beledigde partij in, die geding in hoger beroep betreffen. Bovendien staan geding over strafzaak en civiele vordering, waarmee beledigde partij zich in dit geding voegt, in onafscheidelijk verband met elkaar, zoals blijkt uit verschillende bepalingen omtrent beledigde partij. Dit blijkt onder andere uit art. 337.2 Sv, inhoudende dat vordering van beledigde partij alleen ontvankelijk zal zijn, indien verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd. Verder is beginsel van herzieningsregeling dat degene, wiens aanvraag tot herziening gegrond is bevonden, na verwijzing naar hof in dezelfde toestand zal komen te verkeren als waarin hij zich bevond bij aanvang van behandeling ttz., die heeft geleid tot einduitspraak, waartegen aanvraag tot herziening gegrond is bevonden. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar hof. CAG (strekking): opschorting van voorwaardelijk opgelegde tuchtschoolstraf en verwijzing van strafzaak naar hof, en niet-ontvankelijkverklaring van aanvraag v.zv. bedoeld mocht zijn ook herziening te vragen van civielrechtelijke beslissing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.506 tekens)
O. dat uit de aanteekening van het in de aanvrage bedoelde mondeling vonnis blijkt, dat de veroordeeling hierop berust, dat ten laste van [verdachte] wettig en overtuigend bewezen is verklaard, dat hij te [plaats] op 14 November 1930 opzettelijk gewelddadig met een zijner geschoeide voeten [slachtoffer] een dusdanigen schop ter rechterzijde tegen diens onderbuik heeft gegeven, dat voornoemde [slachtoffer] hevige pijn heeft ondervonden en in een ziekenhuis moest worden opgenomen, daar operatief ingrijpen noodzakelijk bleek;
O. dat blijkens de aanteekening van het vonnis als bewijsmiddelen zijn gebezigd verklaringen van den verdachte en van den getuige [slachtoffer] alsmede eene overgelegde geneeskundige verklaring van den [arts 1] te [plaats] ;
dat de verklaringen van den verdachte en die van den genoemden getuige inhouden: de eerste, dat het waar is, dat hij opzettelijk den meergenoemden getuige op tijd en plaats als in de telastelegging aangegeven, met een zijner voeten, waaraan hij een schoen droeg, een trap tegen diens onderbuik heeft gegeven;
de tweede, dat hij dien trap met den geschoeiden voet tegen zijn onderbuik rechts, van verdachte heeft ontvangen; dat het hem erge pijn deed en hij twee weken in het ziekenhuis is verpleegd en daar geopereerd is;
dat de geneeskundige verklaring van [arts 1] inhoudt, dat deze op 15 November 1930 bij [slachtoffer] een rechter schuine liesbreuk heeft geconstateerd, die verschijnselen van beklemming vertoonde namelijk pijnlijkheid en misselijkheid veroorzaakte, waarom spoedige operatie noodzakelijk was;
dat blijkens de aanteekening de Kinderrechter de door hem aan het feit gegeven qualificatie aldus heeft gemotiveerd, dat lichamelijk letsel toegebracht tegen een zoo gevoelig lichaamsdeel als het onderlijf, dat operatief ingrijpen noodzakelijk maakt, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt ;
dat verder uit de aanteekening van het vonnis blijkt, dat de door den vader als wettelijk vertegenwoordiger van den negenjarigen getuige [slachtoffer] tot een bedrag van f 150 ingestelde civiele vordering door den Kinderrechter tot een bedrag van f 100 is toegewezen en voor het overige is ontzegd;
O. dat de omstandigheid, die in de aanvrage wordt aangevoerd, is, dat na het wijzen van het vonnis gebleken is, dat het opnemen in het ziekenhuis van [slachtoffer] en het operatief ingrijpen niet noodzakelijk waren, althans geen verband hielden met het door [verdachte] toegebracht lichamelijk letsel, ten bewijze waarvan bij de aanvrage wordt overgelegd eene onderteekende verklaring van den [arts 2] , die [slachtoffer] heeft geopereerd;
dat bedoelde verklaring van genoemden geneesheer inhoudt, dat hij [slachtoffer] in het Diaconessenhuis te Rotterdam op 24 November 1930 heeft geopereerd, zonder dat hij een breuk bij hem vóór de operatie kon vaststellen; dat hij alleen opereerde, omdat de huisarts van den patiënt bij dezen een breuk had vastgesteld en omdat de ouders wenschten, dat deze breuk werd geopereerd; dat het meer voorkomt, dat een breuk niet gemakkelijk is aan te toonen; dat bij de operatie geen breuk noch eene andere afwijking werd gevonden;
O. dat dit alles een ernstig vermoeden doet ontstaan, dat, ware het den rechter destijds bekend geweest, het onderzoek der zaak hem zou hebben geleid zoo niet tot vrijspraak van den thans veroordeelde dan toch tot toepasselijkverklaring van eene minder zware strafbepaling en dat ook ten aanzien van de ingestelde civiele vordering eene andere beslissing zoude zijn gegeven;
O. dat de aanvrager, die, desgevraagd, ter terechtzitting van den H. R. heeft te kennen gegeven, dat de aanvrage tot herziening het vonnis in zijn geheel betreft, in die aanvrage ontvankelijk is;
O. dat immers het aangehaalde vonnis is eene in kracht van gewijsde gegane einduitspraak, houdende veroordeeling, waarvan dus ingevolge artikel 457 Sv. herziening kan worden aangevraagd,
wanneer een van de in dat wetsartikel genoemde gronden aanwezig is, welke herziening dan echter, tenzij uit de aanvrage het tegendeel volgt, het vonnis in zijn geheel met al de daarin voorkomende beslissingen betreft;
dat trouwens ook uit artikel 473 van genoemd Wetboek blijkt, dat de wetgever ervan is uitgegaan, dat eene beslissing omtrent eene ingestelde civiele vordering niet buiten de herziening zal blijven;
dat toch volgens dit artikel het rechtsgeding in de verwezen zaak bij het Gerechtshof wordt gevoerd met overeenkomstige toepassing onder andere van de artikelen 413, 415 en 421 van meergemeld Wetboek, terwijl artikel 413 inhoudt, dat aan de beleedigde partij, die zich in eersten aanleg in het geding heeft gevoegd, de dag moet worden aangezegd, waarop de zaak op de terechtzitting zal worden behandeld; artikel 415 onder andere de artikelen 332-337 omtrent de beleedigde partij van overeenkomstige toepassing verklaart en ook artikel 421 voorschriften omtrent de beleedigde partij, die het geding in hooger beroep betreffen, inhoudt;
dat bovendien het geding over de strafzaak en de civiele vordering, waarmede de beleedigde partij zich in dit geding voegt, in onafscheidelijk verband met elkander staan, zooals blijkt uit verschillende bepalingen van de artikelen omtrent de beleedigde partij, onder andere uit de bepaling van het tweede lid van artikel 337, dat de vordering van de beleedigde partij alleen ontvankelijk zal zijn, indien den verdachte eenige straf of maatregel wordt opgelegd;
dat verder het beginsel van de herzieningsregeling is, dat degene, wiens aanvrage tot herziening gegrond is bevonden, na de verwijzing naar het Gerechtshof in denzelfden toestand zal komen te verkeeren als waarin hij zich bevond bij den aanvang van de behandeling ter terechtzitting, die heeft geleid tot de einduitspraak, tegen welke de aanvrage tot herziening gegrond is bevonden;
O. dat daarom de aanvrage gegrond moet worden geacht;
O. dat de veroordeelde de hem bij het vonnis onvoorwaardelijk opgelegde tuchtschoolstraf reeds van 23 Juli tot 21 September 1931 in de tuchtschool te Ginneken heeft ondergaan, zooals blijkt uit eene bij de stukken aanwezige verklaring van den Officier van Justitie te Rotterdam;
Verklaart de aanvrage gegrond;
Beveelt de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis voor zooverre dit nog niet ten uitvoer is gelegd;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, ten einde te handelen als in het Wetboek van Strafvordering is aangewezen.