Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2026:2549
2026-09-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.346.880_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Procesbevoegdheid. Gezamenlijke bevoegdheid vereffenaars (art. 4:198 BW). Oproeping ex 118 Rv ontbrekende vereffenaar. Onrechtmatig geld onttrokken aan bankrekening erflaatster (tijdens haar leven)?
Citeert (7)
- ECLI:NL:GHARL:2022:3452 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-05-2022
- ECLI:NL:HR:2023:1073 Hoge Raad 07-07-2023
- ECLI:NL:HR:2025:662 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2016:721 Hoge Raad 22-04-2016
- ECLI:NL:HR:2024:18 Hoge Raad 12-01-2024
- ECLI:NL:HR:2014:942 Hoge Raad 18-04-2014
- ECLI:NL:HR:2008:BE7628 Hoge Raad 17-10-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (44.288 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.346.880/01
arrest van 22 september 2026
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats 1] ,
2. [appellante sub 2] ,wonende te [woonplaats 1] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. B.P.J. van Riel te Ede,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,laatst gewoond hebbende te [woonplaats 1] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats 1] ,
3. [geïntimeerde sub 3] ,wonende te [woonplaats 1] ,
4. [geïntimeerde sub 4] ,wonende te [woonplaats 1] ,
5. [geïntimeerde sub 5] ,wonende te [woonplaats 1] ,
6. [geïntimeerde sub 6] ,wonende te [woonplaats 1] ,
7. [geïntimeerde sub 7] ,wonende te [woonplaats 1] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. Chr. Nome te Groningen,
en
met als op de voet van artikel 118 Rv in het geding geroepen partij:
de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [persoon A],
laatst gewoond hebbende te [woonplaats 1]
hierna aan te duiden als de erven [persoon A] ,
niet verschenen.
als vervolg op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:3452) dat door de Hoge Raad is vernietigd bij arrest van 7 juli 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1073), en de tussenarresten van dit hof van 14 oktober 2025 en 2 juni 2026.
8Het geding in hoger beroep na verwijzing
8.1.1. Het verloop van de procedure na cassatie blijkt uit:
het tussenarrest van 2 juni 2026 en de daarin genoemde stukken, waarbij het hof [geïntimeerden] in de gelegenheid heeft gesteld om de erven [persoon A] alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping ex artikel 118 Rv;
de akte van de zijde van [geïntimeerden] , met producties 1 en 2;
het aan de erven [persoon A] verleende verstek.
8.1.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
9De verdere beoordeling
het tussenarrest van 2 juni 2026
9.1.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof -onder meer- geoordeeld:
“6.2.4. Zoals het hof in het tussenarrest [hof: van 14 oktober 2025] al had vastgesteld -en door [geïntimeerden] tijdens de mondelinge behandeling nog is bevestigd- hebben [geïntimeerden] de inleidende vordering in hun hoedanigheid van vereffenaars van het afgescheiden vermogen van erflaatster ingesteld. Daaruit vloeit voort dat het hof de vordering zo verstaat dat die is ingesteld namens de nalatenschap. Het betreft in deze een vordering van de nalatenschap. De gestelde schade is immers schade die erflaatster in haar vermogen heeft geleden. Nu erflaatster deze vordering zelf niet meer bij leven heeft kunnen instellen, valt deze (gepretendeerde) vordering in de nalatenschap. Partijen kunnen deze vordering ook niet slechts voor hun eigen breukdeel instellen: de nalatenschap dient immers eerst te zijn vereffend voordat individuele erfgenamen op (eventueel resterende) eigen breukdelen aanspraak kunnen maken. Partijen zijn in beginsel -nu zij beneficiair aanvaard hebben- slechts gezamenlijk als vereffenaar bevoegd te procederen, tenzij de kantonrechter anders heeft bepaald (vgl. Rov. 3.4 van het tussenarrest van 14 oktober 2025). Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] de kantonrechter heeft verzocht om anders te bepalen, door te verzoeken om een machtiging te verlenen om zelfstandig (dus zonder de medewerking van hun mede-vereffenaar) ten behoeve van de nalatenschap te kunnen procederen. Evenmin is met toepassing van artikel 4:203 BW een vereffenaar benoemd.
6.2.5.
De Hoge Raad (HR) heeft in een arrest van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:662, overwogen dat tot de taken van een vereffenaar behoort de vertegenwoordiging van de erfgenamen in en buiten rechte (artikel 4:211 lid 2 BW). Ingeval van beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap door een of meer erfgenamen moet ook deze bevoegdheid in beginsel door de erfgenamen tezamen worden uitgeoefend. De kantonrechter kan echter anders bepalen. Er is geen goede grond om aan te nemen dat de kantonrechter dat slechts in een afzonderlijke, daartoe strekkende procedure kan doen. De kantonrechter kan ook anders bepalen door een of meer van de vereffenaars te ontvangen in een verzoek dat volgens de hoofdregel door de vereffenaars tezamen had moeten worden ingediend. In dat geval moet ook ten aanzien van de overige vereffenaars recht worden gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. In een geval als in die zaak aan de orde, waarin een van de vereffenaars een verzoek heeft gedaan tot opheffing van de vereffening, is de rechtspositie van de overige vereffenaars gewaarborgd doordat zij worden gehoord of behoorlijk opgeroepen (artikel 4:209 lid 1 BW). In een eerder arrest (HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:721) had de HR al geoordeeld dat de partij het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in deze procedure, die was aangespannen door de in de loop van het geding in eerste aanleg overleden wederpartij, had dienen in te stellen tegen diens gezamenlijke erfgenamen, in dit geval vanwege de beneficiaire aanvaarding tegen de gezamenlijke vereffenaars. De partij die in hoger beroep kwam was echter zelf een van de vereffenaars. De HR oordeelde dat nu die partij als appellante ook zelf in het appel betrokken was -en het gezag van gewijsde van de door het hof te geven beslissing zich dus tot alle erfgenamen, tevens vereffenaars, zou uitstrekken- het zonder enige zin zou zijn te eisen dat zij ook zichzelf, als mede-vereffenaar, in hoger beroep zou dagvaarden.
6.2.6.
Hoewel het hof zich realiseert dat onderhavige kwestie voor wat betreft de feiten en de vorderingen afwijkt van voornoemde uitspraken, ziet het hof aanleiding om de in die uitspraken gehanteerde benadering vanuit een oogpunt van deformalisering van het procesrecht en met het oog op een efficiënte en doelmatige geschilbeslechting toe te passen in de onderhavige zaak. Dat leidt ertoe dat het hof [geïntimeerden] zal ontvangen in hun vorderingen namens de nalatenschap, mits alle vereffenaars in rechte worden betrokken en hun standpunten kenbaar hebben kunnen maken. Het hof wijst erop dat een rechterlijke beslissing over een processueel ondeelbare rechtsverhouding steeds jegens alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen gezag van gewijsde heeft, ongeacht door wie en tegen wie de vordering is ingesteld en ongeacht wie tegen de vordering verweer heeft gevoerd. Het is dan ook rechtens noodzakelijk dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Dat ligt in onderhavige kwestie niet anders.
6.2.7.
Dit betekent dat in dit hoger beroep alle partijen de mogelijkheid moeten krijgen om hun standpunten kenbaar te maken. Het hof zal [geïntimeerden] daarom in de gelegenheid stellen om de erven [persoon A] alsnog in de procedure te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv. Tijdens de mondelinge behandeling is door partijen aangegeven dat ervan wordt uitgegaan dat de weduwe van [persoon A] in diens rechten is getreden. Het hof neemt aan dat [geïntimeerden] dit een en ander zal verifiëren door een verklaring van erfrecht op te vragen, alvorens tot oproeping over te gaan, welke verklaring van erfrecht te zijner tijd ook aan het hof dient te worden overgelegd.
6.2.8.
Als [geïntimeerden] geen gebruik maakt van de gelegenheid om de erven [persoon A] in hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster op de voet van artikel 118 Rv in het geding te betrekken, dan zal [geïntimeerden] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.”
9.1.2.
De erven [persoon A] zijn, na deugdelijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. Aan hen is verstek verleend.
9.1.3.
Nu alle vereffenaars in de procedure zijn betrokken, kunnen [geïntimeerden] in hun vorderingen namens de nalatenschap worden ontvangen. Het hof komt derhalve toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.
de kern van het geschil
9.2.1.
[appellanten] hebben tijdens het leven van de oma van [appellante sub 2] , de moeder van [geïntimeerden] en [persoon A] , gezamenlijk het beheer gevoerd over de financiën en administratie van oma/moeder. [geïntimeerden] stelt zich op het standpunt dat zij daarbij onrechtmatig gelden hebben onttrokken, die zij aan de nalatenschap van oma/moeder dienen te vergoeden. De rechtbank heeft geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat [appellanten] gelden hebben aangewend voor eigen gebruik, zonder dat zij daarvoor toestemming hadden, zodat zij jegens oma/moeder onrechtmatig hebben gehandeld. Nadat [geïntimeerden] de gelegenheid hebben gekregen hun vorderingen nader te onderbouwen, heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerden] tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 45.461,43 toegewezen.
9.2.2.
Het door [appellanten] tegen die vonnissen ingestelde hoger beroep is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard, vanwege de nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep. De Hoge Raad heeft dit arrest vernietigd en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar dit hof.
9.2.3.
Het hof komt tot het zelfde oordeel als de rechtbank, zij het dat de schade op een lager bedrag wordt begroot. Dat oordeel wordt hierna verder toegelicht.
de feiten
9.3.
In rov. 2.1 tot en met 2.7 van het tussenvonnis van 20 december 2019 heeft de rechter in eerste aanleg vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds voldoende gemotiveerd gesteld en anderzijds niet (voldoende gemotiveerd) betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten voor zover relevant in hoger beroep.
9.3.1.
[geïntimeerden] en [persoon A] zijn allen kinderen van mevrouw [persoon B] (hierna te noemen: ‘ [persoon B] ’), geboren op 5 juli 1928 en overleden op 12 november 2015. [appellante sub 2] is de dochter van [persoon A] en de kleindochter van [persoon B] . [appellant sub 1] is de partner van [appellante sub 2] en geen familie van [persoon B] .
9.3.2.
Omdat [persoon B] niet meer in staat was haar eigen financiële belangen te behartigen, hebben [appellanten] vanaf begin 2009 het beheer van de financiën en administratie van [persoon B] op zich genomen. De rekening van [persoon B] is gewijzigd in een en/of-rekening en [appellant sub 1] is mederekeninghouder geworden. Ook ontving [appellant sub 1] een bankpas van de bankrekening van [persoon B] . [appellanten] zouden betalingen verrichten ten behoeve van [persoon B] en haar wekelijks contant leefgeld verstrekken.
9.3.3.
In de brief van 9 februari 2009 aan [geïntimeerden] hebben [appellanten] onder meer het volgende geschreven:
“(…)
Sinds halverwege januari 2009 hebben [appellante sub 2] en ik de administratie en financiële zaken van (onze oma) jullie moeder overgenomen. De afgelopen weken stonden vooral in het teken van het oplijnen, uitzoeken en inventariseren.
Via deze brief willen we jullie op de hoogte brengen van de stand van zaken. Dit doen we door alle zaken punt voor punt te doorlopen en daarbij de stand van zaken aan te geven. We sluiten af met onze conclusie en een aantal aanbevelingen.
Voor alle duidelijkheid. [appellante sub 2] en ik
beheren
de administratie en financiële zaken, wij
beslissen niets
. Beslissingen worden genomen door jullie! Indien er iets is waarover een beslissing genomen moet worden, zullen wij [persoon C] informeren. [persoon C] zal dan met jullie overleggen. Kortom [persoon C] is onze tussenpersoon.
Zie ons als de administratie en bank van Ma. Als Ma iets wil weten of (extra) geld van haar Rabobank
spaarrekening wil dan haalt ze dit niet bij de bank of andere instantie maar bij ons.
Verder mag je van [appellante sub 2] en mij verwachten dat wij jullie per kwartaal op de hoogte zullen houden van de administratie en financiële zaken van Ma. Dit zullen we doen door jullie per kwartaal een soortgelijke brief te sturen met eventuele financiële overzichten etc.
(…)”
9.3.4.
Vanaf medio mei 2013 is er onrust ontstaan bij [geïntimeerden] over de financiële situatie van [persoon B] . [persoon B] was toen nog niet overleden. Er vinden tussen partijen gesprekken plaats over het beheer van de financiën en administratie. Medio oktober 2014 blijkt uit een bericht van de verhuurder van [persoon B] dat zij haar huurwoning binnen drie weken zal moeten verlaten, vanwege een opgelopen huurschuld van € 6.000,00.
9.3.5.
Bij beschikking van de kantonrechter van 7 november 2014 is de heer [persoon D] (hierna te noemen: ‘ [persoon D] ’) op verzoek van [geïntimeerden] benoemd tot bewindvoerder van [persoon B] . [persoon D] heeft getracht de financiële administratie van [persoon B] op orde te brengen.
9.3.6.
Door [persoon D] is op 6 mei 2015 aangifte gedaan van verduistering tegen [appellanten] . Uit de aangifte van [persoon D] blijkt dat in de periode van 1 februari 2009 tot en met 28 oktober 2014 er in totaal € 63.892,63 is afgeschreven van de bankrekening van [persoon B] . Uit de aangifte van [persoon D] blijkt dat in diezelfde periode [persoon B] in ieder geval in totaal € 20.580,00 aan leefgeld heeft ontvangen, € 900,00 aan een vliegticket naar Surabaya en € 2.825,71 heeft uitgegeven. Het meerdere aan uitgaven van € 39.586,92 kan [persoon D] niet verklaren en wordt door hem gekwalificeerd als ten onrechte door [appellanten] opgenomen bedragen. Naast de onttrekkingen stelt [persoon D] dat ten gevolge van het handelen van [appellanten] er schulden zijn ontstaan van in totaal € 16.695,15, welke schulden eveneens als schade dienen te worden aangemerkt. Ook zouden [appellanten] debetrente verschuldigd zijn van € 413,08. In totaal komt [persoon D] dus uit op een benadelingsbedrag van € 56.695,15.
9.3.7.
In het kader van de strafvervolging van [appellanten] heeft mevrouw [persoon E] , opsporingsambtenaar werkzaam bij de brigade Recherche van de Koninklijke Marechaussee het wederrechtelijk verkregen voordeel door [appellanten] berekend. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [persoon E] van 22 september 2015 blijkt dat van 1 februari 2009 tot en met 24 oktober 2014 een bedrag van € 54.580,20 aan contante opnames is afgeschreven van de rekening van [persoon B] , waarvan niet bekend is waar deze bedragen voor zijn gebruikt.
9.3.8.
Op 29 april 2019 is zowel [appellant sub 1] als [appellante sub 2] door de rechtbank Gelderland
veroordeeld voor het medeplegen van verduistering. [appellanten] hebben hoger beroep tegen deze veroordeling ingesteld.
9.3.9.
Bij arresten van 7 oktober 2020 van de militaire kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn die vonnissen vernietigd en is het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging, om de reden dat niet is voldaan aan de eisen zoals door de wet gesteld: er is geen sprake van een rechtsgeldige, door een daartoe bevoegde persoon tijdig ingediende, klacht.
de vordering van [geïntimeerden] en de beslissingen van de rechtbank, het hof en de Hoge Raad
9.4.1.
[geïntimeerden] heeft in eerste aanleg na vermeerdering van eis -samengevat- gevorderd [appellanten] te veroordelen tot betaling van € 61.037,32, vermeerderd met rente en kosten. Zoals het hof in het tussenarrest van 2 juni 2026 (rov. 6.2.4) al had overwogen, verstaat het hof die vordering zo dat deze namens de gezamenlijke erfgenamen is ingesteld, zodat bij een eventuele toewijzing ook aan hen moet worden betaald.
9.4.2.
[geïntimeerden] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat [appellanten] onrechtmatig jegens [persoon B] hebben gehandeld door met haar bankpas en ten laste van haar bankrekening zonder haar toestemming en zonder haar medeweten bedragen te pinnen of anderszins zichzelf te bevoordelen. [geïntimeerden] heeft gesteld dat de schade € 61.037,32 bedraagt.
9.4.3.
[appellanten] hebben de vorderingen gemotiveerd weersproken. Op hun verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
9.4.4.
In het tussenvonnis van 20 december 2019 heeft de rechtbank -kort weergegeven- geoordeeld dat [appellanten] gelden hebben onttrokken aan de bankrekening van [persoon B] voor eigen gebruik. Nu tussen partijen niet ter discussie staat dat [persoon B] geen toestemming heeft gegeven voor het doen van deze betalingen en opnames, staat tevens vast dat [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld. Om de exacte omvang van de onrechtmatige onttrekkingen en de door [persoon B] geleden schade vast te kunnen stellen, heeft de rechtbank [geïntimeerden] in de gelegenheid gesteld nader inzichtelijk te maken en te onderbouwen wat de exacte omvang van de onrechtmatige onttrekkingen is geweest.
9.4.5.
In het eindvonnis van 9 juni 2020 heeft de rechtbank de schade begroot op het totaalbedrag aan de door [appellanten] gedane afschrijvingen die niet aan [persoon B] ten goede zijn gekomen, vermeerderd met toewijsbare (overige) schadeposten. De vordering van [geïntimeerden] is in hoofdsom tot een bedrag van € 45.461,43 toegewezen, vermeerderd met rente en kosten.
9.4.6.
In het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 mei 2022 is geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep nietig is omdat het voorschrift van artikel 46 lid 1 Rv niet is nageleefd en [geïntimeerden] daardoor niet zijn beschermd in de belangen waarop dat artikel betrekking heeft. Om die reden zijn [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep.
9.4.7.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 juli 2023 geoordeeld dat [geïntimeerden] door het gebrek in de dagvaarding in hoger beroep niet onredelijk in hun belangen zijn geschaad, zodat het beroep op de nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep moet worden verworpen. De zaak is verwezen naar dit hof ter verdere behandeling in beslissing.
het geschil in hoger beroep na verwijzing
9.5.1.
[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Zij hebben aangevoerd dat de vordering is verjaard (grief 1), dat de feitelijke grondslag aan de vordering is komen te ontvallen omdat het bewijs uit de strafprocedure niet mag worden meegenomen (grief 2), en dat, indien en voor zover de vordering voor toewijzing vatbaar is, de hoogte van het schadebedrag volgens hen lager vastgesteld dient te worden (grief 3).
[appellanten] hebben geconcludeerd tot:
1. vernietiging van de vonnissen waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende;
2. primair de vordering af te wijzen, subsidiair de vordering vast te stellen op een bedrag van € 12.011,74;
3. met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de procedure.
9.5.2.
[geïntimeerden] heeft de grieven weersproken en primair geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellanten] in hun hoger beroep, en subsidiair tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
het beroep op verjaring (grief 1)
9.6.1.
[appellanten] stellen onder verwijzing naar artikel 3:310 BW dat de vordering van [geïntimeerden] is verjaard. [persoon B] was volgens hen al sinds medio 2013 bekend met zowel de
schade als met de aansprakelijke personen. Zij verwijzen ter onderbouwing van dat standpunt naar de verklaring van de heer [persoon F] (hierna: [persoon F] ) ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee, waarin hij heeft verklaard dat [geïntimeerden] sinds medio 2013 ongerust werd aangezien er steeds vaker brieven van deurwaarders en incassobureaus binnenkwamen. [persoon F] heeft verder verklaard dat hij tezamen met [persoon C] [persoon A] (hof: geïntimeerde sub 6) medio juni 2013 een gesprek hierover heeft gevoerd met [appellanten] , en dat op 24 juni 2013 hierover een tweede gesprek heeft plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat [persoon B] en [geïntimeerden] uiterlijk sinds medio mei 2013 al op de hoogte waren van de vermeende verduistering van het geld van haar bankrekening en dat [appellanten] daar verantwoordelijk en aansprakelijk voor zouden zijn. De verjaringstermijn is voltooid op of omstreeks 15 mei 2018, doch in het uiterste geval op 31 mei 2018, aldus -steeds- [appellanten] .
[geïntimeerden] weerspreekt de stellingen gemotiveerd.
9.6.2.
Het hof is van oordeel dat het beroep op verjaring niet slaagt. [appellanten] hebben een beroep gedaan op de relatieve (korte) verjaringstermijn van vijf jaar ex artikel 3:310 lid 1 BW. Naar het oordeel van het hof hebben zij niet voldoende onderbouwd dat deze termijn is verstreken. Daartoe wordt het navolgende overwogen.
9.6.3.
Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon moet aldus worden opgevat dat het gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet voldoende is. Dit betekent dat de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid -die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn- heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Op welk tijdstip de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval (vgl. HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18 en 19).
9.6.4.
De verjaringstermijn gaat lopen op het moment dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met feiten en omstandigheden die betrekking hebben op 1) de schade, en 2) de daarvoor aansprakelijke perso(o)n(en). Het gaat voor de toepassing van dit artikel om de bekendheid van [persoon B] tijdens haar leven en niet om eventuele bekendheid van de personen in haar directe omgeving. Zouden de stellingen van [geïntimeerden] slagen, dan is immers jegens [persoon B] onrechtmatig gehandeld en is zij in dat geval de benadeelde. [appellanten] stellen wel dat [persoon B] medio 2013 bekendheid verkreeg, maar onderbouwen dat niet. Uit de verklaring van [persoon F] volgt dat niet. Zou al moeten worden geconcludeerd dat naar aanleiding van de eerste constateringen en onderzoekende gesprekken voldoende zekerheid zou hebben bestaan dat schade is veroorzaakt in het vermogen van [persoon B] door onrechtmatig handelen door [appellanten] , dan nog is dat niet voldoende. De door [persoon F] beschreven zorgen over de situatie naar aanleiding van aanmaningen door deurwaarders en dergelijke ontstonden bij de kinderen van [persoon B] , zo heeft hij verklaard. Ook bij de daarna met [appellanten] gevoerde gesprekken en het benaderen van het Steunpunt Huiselijk Geweld is [persoon B] volgens zijn verklaring niet betrokken geweest. Uit die verklaring kan ook niet worden afgeleid dat en op welk moment [persoon B] voldoende concreet is ingelicht over de constateringen en de gevolgen daarvan voor haar financiële positie. Weliswaar staat daarin beschreven dat [persoon B] “indertijd” geen aangifte van diefstal wilde doen, maar niet duidelijk is op welk moment dat was en ook niet of zij op dat moment daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke perso(o)n(en). [appellanten] hebben geen andere feiten gesteld waaruit, indien bewezen, die wetenschap kan worden afgeleid. Dat betekent dat het hof niet kan vaststellen op welk moment de verjaringstermijn -toen [persoon B] nog in leven was- is gaan lopen. De procesinleiding dateert van 22 januari 2019, derhalve korter dan vijf jaar na het overlijden van [persoon B] .
9.6.5.
Nu [appellanten] onvoldoende feiten hebben gesteld die hun beroep op verjaring kunnen dragen, behoeft aan bewijslevering -nog daargelaten dat een voldoende specifiek en ter zake doend bewijsaanbod ontbreekt- niet te worden toegekomen. De grief slaagt niet.
de feitelijke grondslag van de vordering (grief 2)
9.7.1.
[appellanten] hebben aangevoerd dat de rechtbank de onttrekking van bedragen van de bankrekening van [persoon B] door hen ten onrechte heeft gebaseerd op het strafrechtelijk onderzoek en op de strafrechtelijke veroordeling van [appellanten] . Deze bronnen mogen volgens hen niet langer als grondslag dienen nu het Openbaar Ministerie in de strafzaak niet-ontvankelijk is verklaard. Al vanaf de start van het onderzoek is te laat, op onjuiste wijze en door een onbevoegde een klacht ingediend welke “klacht” heeft geleid tot (de bevindingen binnen) het onderzoek waarop de rechtbank in de civielrechtelijke procedure zich baseert. De hieruit voortvloeiende en hierop gebaseerde overige onderzoekshandelingen dienen eveneens buiten beschouwing gelaten te worden nu deze überhaupt niet hadden mogen worden verricht, aldus [appellanten] .
[geïntimeerden] weerspreekt de stellingen.
9.7.2.
Aan [appellanten] kan worden toegegeven dat de vonnissen waarbij zij strafrechtelijk zijn veroordeeld zijn vernietigd. De veroordelingen zijn op zichzelf dus niet langer een feit dat ten grondslag kan worden gelegd aan de stelling dat er door hen onrechtmatig geld is onttrokken. Aan die stelling zijn echter nog meer feiten ten grondslag gelegd, onder meer onderbouwd door stukken afkomstig uit het strafdossier. Het hof begrijpt de stellingen van [appellanten] zo dat zij menen dat die stukken buiten de beoordeling dienen te blijven omdat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.
9.7.3.
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop. Artikel 152 Rv bepaalt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan artikel 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd (vgl. o.a. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942).
9.7.4.
In het onderhavige geval gaat het om vergaard bewijs in een strafrechtelijk onderzoek, ingezet naar aanleiding van een achteraf bezien onterecht ingediende klacht. Zo hier al sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen bewijs, dan brengt dit nog niet zonder meer mee dat op dat bewijs voor zover dat in deze procedure is ingebracht, geen acht mag worden geslagen. [appellanten] hebben geen bijkomende omstandigheden gesteld die deze conclusie zouden rechtvaardigen. Bovendien beroepen zich zij zich zelf ook deels op uit het strafdossier afkomstige stukken in deze civiele procedure, zodat ook om die reden het betoog van [appellanten] faalt.
9.7.5.
Daar komt tot slot nog bij dat [geïntimeerden] er terecht op wijst dat het oordeel van de rechtbank mede gebaseerd is op ander bewijs en op de erkenning van [appellante sub 2] in de civiele procedure.
9.7.6.
De grief slaagt niet.
de omvang van de schade (grief 3)
9.8.1.
[appellanten] hebben aangevoerd dat de rechtbank de schade niet correct heeft begroot. Ter onderbouwing van hun stelling dat veel opnames en betalingen ten goede zijn gekomen aan [persoon B] , hebben zij een door hen zelf opgesteld overzicht in het geding gebracht. Ook zijn onder andere kopieën van bankafschriften en kwitanties bijgevoegd. Volgens [appellanten] hebben deze opnames plaatsgevonden met toestemming van [persoon B] .
[geïntimeerden] heeft de standpunten van [appellanten] weersproken.
9.8.2.
Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft de omvang schade begroot op € 45.461,43. Dit bedrag is als volgt tot stand gekomen:
Totaal afschrijvingen: € 63.892,63
Af: leefgeld: € 20.580,00 -/-
Af: vliegticket: € 900,00 -/-
Af: verjaardagen, cadeaus, uitstapjes: € 2.825,71 -/-
Subtotaal: € 39.586,92
Bij: debetrente € 414,08
Bij: notariskosten € 333,75
Bij: kosten register executeur: € 1.406,68
Bij: leefgeld betaald door erven € 3.720,00
Totaal: € 45.461,43
Het hof begrijpt grief 3 van [appellanten] aldus dat zij aanvoeren dat er een hoger bedrag ten goede is gekomen aan oma dan enkel voornoemde bedragen € 900,00 en € 2.825,71 ter zake vliegtickets, verjaardagen, cadeaus en uitstapjes. Volgens hen moet dit bedrag ten minste € 27.575,18 zijn. Zij verwijzen daarvoor naar het door hen opgestelde overzicht in productie 3 onder 2.7 t/m 2.11.
Verder begrijpt het hof dat [appellanten] bezwaar maken tegen de twee toegewezen aanvullende schadeposten ter zake de notariskosten ad € 333,75 en de kosten register executeur ad € 1.406,68. Alhoewel [appellanten] in de memorie van grieven enkel deze twee posten hebben benoemd en hebben verwezen naar punt 2.13 van het door hen opgestelde overzicht in productie 3 en daarmee niet overeenkomstig de wegwijsplicht in civiele zaken hebben gehandeld, is het hof desalniettemin van oordeel dat [appellanten] dit bezwaar voldoende duidelijk naar voren hebben gebracht. In punt 2.13 van dat overzicht blijkt duidelijk wat hun bezwaar is en ook [geïntimeerden] heeft dit, gelet op het inhoudelijk verweer daartegen, als bezwaar opgevat. Het hof is daarom van oordeel dat ook deze twee posten inhoudelijk beoordeeld kunnen worden. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628 (Embrica/Baros).
9.8.3.
Het hof zal eerst de door [appellanten] genoemde bedragen onder 2.7 – 2.11 beoordelen, die volgens hen ten goede zijn gekomen aan oma.
(2.7) opnames voor boodschappen bij diverse supermarkten, slagerijen, bakkerijen en Aziatische toko’s in [woonplaats 2]
Het hof begrijpt dat [appellanten] aanvoeren dat er voor € 1.584,68 boodschappen met en voor oma bij winkels in [woonplaats 2] zijn gedaan en voor € 295,67 bij diverse Aziatische toko’s. Zij hebben een overzicht gemaakt van de diverse transacties op verschillende data en verwezen naar bankafschriften. Uit het door [appellanten] overgelegde documenten kan echter zonder nadere stellingen, die ontbreken, niet worden afgeleid dat deze bedragen met en voor oma zijn besteed. Zij hebben hun verweer daarom onvoldoende onderbouwd. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat deze bedragen ten goede zijn gekomen aan oma.
(2.8) contante stortingen met de bankpas die in het bezit was van [appellante sub 2] :
[appellanten] hebben gesteld dat zij in de periode 2009 tot en met 2014 voor een bedrag van in totaal € 3.600,00 contante stortingen hebben gedaan met de pas die in het bezit was van [appellante sub 2] . [geïntimeerden] heeft de contanten stortingen als zodanig niet betwist. Wel geeft [geïntimeerden] aan in de memorie van antwoord dat [appellanten] een verkeerd beeld schetsen omdat tegenover de stortingen ook steeds opnames al dan niet in de vorm van muntrollen of betalingen ten gunste van hen zelf staan. Het hof overweegt evenwel dat in de begroting van [geïntimeerden] van de schade rekening is gehouden met die (pin)opnames en andere betalingen (waaronder het vakantiegeld), waaronder die in de vorm van muntrollen (zie het bij de akte uitlating omvang schade d.d. 22 januari 2020 als productie 2 gevoegde overzicht). Zonder nadere stellingen van [geïntimeerden] die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, strekt het bedrag van € 3.600,00 daarom in mindering op de schadevordering.
(2.9) overboekingen van de bankrekening van [appellant sub 1] naar rekening van oma;
Volgens [appellanten] zijn er in de periode 2009 tot en met 2014 voor een bedrag van € 3.454,47 overboekingen gedaan van een rekening van [appellant sub 1] naar de rekening van oma. [geïntimeerden] heeft dit als zodanig niet betwist, maar gesteld dat daartegenover opnames staan (met uitzondering van de twee laatste posten). Nu in de begroting van [geïntimeerden] van de schade rekening is gehouden met de opnames, valt zonder nadere stellingen van [geïntimeerden] , die ontbreken, niet in te zien, dat de betreffende overboekingen van de bankrekening van [appellant sub 1] naar die van oma niet in mindering strekken op de schadevordering. Alleen al daarom komt het hof niet toe aan bewijslevering.
(2.10) contante betalingen van [appellante sub 2] aan [persoon B]
[appellanten] voeren aan dat zij in de periode van 4 oktober 2014 tot en met 14 september 2015 conform de afspraak die [appellante sub 2] en oma hadden gemaakt, wekelijks contante bedragen van in totaal € 3.850,00 aan oma hebben gegeven. Zij verwijzen naar diverse kwitantiebriefjes die zouden zijn ondertekend door oma.
[geïntimeerden] betwist ten aanzien van de kwitantiebriefjes 1 tot en met 15 de echtheid van de handtekening van oma. De handtekening op de kwitantiebriefjes wijkt in de meeste gevallen sterk af van de handtekening op de door hen overgelegde identiteitskaart van oma en [appellante sub 2] is eerder veroordeeld voor valsheid in geschrifte. Ten aanzien van de kwitantiebriefjes vanaf nummer 16 die zijn gedateerd vanaf 27 januari 2015 stelt [geïntimeerden] dat oma zelf niet meer bevoegd was om te tekenen omdat zij al vanaf 7 november 2014 onder bewind stond.
Het hof volgt [geïntimeerden] Uit de door [appellanten] overgelegde kwitanties kan op het eerste gezicht niet zonder meer worden afgeleid dat de handtekening die daarop staat van oma is. De stelplicht van de echtheid van de handtekening rust gelet op het bepaalde in artikel 159 Rv op [appellanten] . Nu [appellanten] geen enkel bewijs hebben aangeboden van de echtheid van de handtekening kan het hof niet van de juistheid van de kwitanties uitgaan. Verder is het hof met [geïntimeerden] van oordeel dat oma vanaf het moment dat zij onder beheer stond niet langer bevoegd was de kwitanties te ondertekenen. Onder beheer valt immers ook het aannemen van prestaties op onder bewind staande vorderingen.
(2.11) diverse opnames en aankopen
[appellanten] voeren nog aan dat zij opnames hebben ten behoeve van de verjaardag van oma (geschatte gemiddelde kosten € 4.875,22), muntrollen ten behoeve van een ‘piring natzar’ die oma jaarlijks maakte (geschatte kosten over diverse jaren van in totaal € 305,30) de kerstperiodes (geschatte kosten over diverse jaren van € 1.280,61), aankopen van kleding en/of schoenen voor oma (geschatte kosten over diverse jaren € 291,31) in [woonplaats 2] of goedkopere winkels, de aanschaf van een NS-voordeel-urenkaart voor het jaar 2009, verlengd voor het jaar 2010 ten behoeve van oma (€ 138,00), de kosten van een doorlopende reisverzekering voor het jaar 2009, verlengd voor het jaar 2010 ten behoeve van oma (€ 143,16) en de opname van de jaarlijkse bijdrage van De Rietkerk (€ 2.230,00).
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd betwist dat deze bedragen zijn besteed voor de genoemde doelen ten behoeve van oma.
Nog daargelaten dat ten aanzien van een groot deel van de genoemde bedragen niet onderbouwd is dat deze besteed zijn voor de gestelde doeleinden, geldt dat [appellanten] in het geheel niet hebben laten zien dat de bedragen ten goede zijn gekomen aan oma. Alleen al daarom komt het hof niet toe aan bewijslevering. Hieruit vloeit voort dat deze bedragen niet in mindering komen op het toegewezen schadebedrag.
(2.13) aanvullende schadeposten
Het hof volgt [appellanten] niet in hun bezwaren tegen de notariskosten ad € 333,75 en de kosten register executeur ad € 1.406,68. Aan [geïntimeerden] kan naar het oordeel van het hof niet worden tegengeworpen dat het zijn eigen keuze is geweest om beneficiair te aanvaarden en dat deze kosten daarom voor zijn rekening moeten blijven. Het is immers door het handelen van [appellanten] dat er aanzienlijke schulden zijn ontstaan, waarvoor [geïntimeerden] -indien zij de nalatenschap zuiver zouden hebben aanvaard- met zijn privévermogen aansprakelijk zou zijn.
9.8.4.
De conclusie is dat de grief in zoverre slaagt dat op het toegewezen schadebedrag in mindering strekt een bedrag van € 7.054,47 (namelijk € 3.600,00 + € 3.454,47). De schade bedraagt daarmee € 38.406,96 (immers € 45.461,43 -/- € 7.054,47).
conclusie en afwikkeling
9.9.1.
Het hoger beroep treft doel. Het tussenvonnis van 20 december 2019 wordt bekrachtigd en het eindvonnis wordt vernietigd voor zover het de veroordeling in rov. 3.1 betreft. Voor het overige wordt het bekrachtigd, nu [appellanten] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zijn aan te merken.
9.9.2.
Het hof zal [appellanten] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Het hof zal de kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] vaststellen op:
griffierechten € 760,00
salaris advocaat € 5.880,00 (2,5 punt(en) x tarief IV)
nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
____________________________________+
Totaal € 6.829,00
9.9.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
9.9.4.
Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen. De rechter kan in de omstandigheden van het geval aanleiding zien om anders te bepalen, bijvoorbeeld als de in de kosten te veroordelen partijen niet bij dezelfde advocaat of gemachtigde zijn verschenen en geen gelijkluidend verweer hebben gevoerd. Die omstandigheden doen zich niet voor.
10De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het tussenvonnis van 20 december 2019 van de rechtbank Gelderland, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;
vernietigt het eindvonnis van 9 juni 2020 van de rechtbank Gelderland, voor zover het de veroordeling in rov. 3.1. betreft;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan de gezamenlijke erfgenamen in de nalatenschap van [persoon B] te betalen een bedrag van € 38.406,96, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 22 januari 2019;
bekrachtigt het eindvonnis van 9 juni 2020 van de rechtbank Gelderland, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen voor het overige;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep van
€ 6.829,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellanten] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten [appellanten]
€ 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellanten] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, S.M.J. Korthuis-Becks en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 september 2026.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.346.880/01
arrest van 22 september 2026
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats 1] ,
2. [appellante sub 2] ,wonende te [woonplaats 1] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. B.P.J. van Riel te Ede,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,laatst gewoond hebbende te [woonplaats 1] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats 1] ,
3. [geïntimeerde sub 3] ,wonende te [woonplaats 1] ,
4. [geïntimeerde sub 4] ,wonende te [woonplaats 1] ,
5. [geïntimeerde sub 5] ,wonende te [woonplaats 1] ,
6. [geïntimeerde sub 6] ,wonende te [woonplaats 1] ,
7. [geïntimeerde sub 7] ,wonende te [woonplaats 1] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. Chr. Nome te Groningen,
en
met als op de voet van artikel 118 Rv in het geding geroepen partij:
de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [persoon A],
laatst gewoond hebbende te [woonplaats 1]
hierna aan te duiden als de erven [persoon A] ,
niet verschenen.
als vervolg op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:3452) dat door de Hoge Raad is vernietigd bij arrest van 7 juli 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1073), en de tussenarresten van dit hof van 14 oktober 2025 en 2 juni 2026.
8Het geding in hoger beroep na verwijzing
8.1.1. Het verloop van de procedure na cassatie blijkt uit:
het tussenarrest van 2 juni 2026 en de daarin genoemde stukken, waarbij het hof [geïntimeerden] in de gelegenheid heeft gesteld om de erven [persoon A] alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping ex artikel 118 Rv;
de akte van de zijde van [geïntimeerden] , met producties 1 en 2;
het aan de erven [persoon A] verleende verstek.
8.1.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
9De verdere beoordeling
het tussenarrest van 2 juni 2026
9.1.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof -onder meer- geoordeeld:
“6.2.4. Zoals het hof in het tussenarrest [hof: van 14 oktober 2025] al had vastgesteld -en door [geïntimeerden] tijdens de mondelinge behandeling nog is bevestigd- hebben [geïntimeerden] de inleidende vordering in hun hoedanigheid van vereffenaars van het afgescheiden vermogen van erflaatster ingesteld. Daaruit vloeit voort dat het hof de vordering zo verstaat dat die is ingesteld namens de nalatenschap. Het betreft in deze een vordering van de nalatenschap. De gestelde schade is immers schade die erflaatster in haar vermogen heeft geleden. Nu erflaatster deze vordering zelf niet meer bij leven heeft kunnen instellen, valt deze (gepretendeerde) vordering in de nalatenschap. Partijen kunnen deze vordering ook niet slechts voor hun eigen breukdeel instellen: de nalatenschap dient immers eerst te zijn vereffend voordat individuele erfgenamen op (eventueel resterende) eigen breukdelen aanspraak kunnen maken. Partijen zijn in beginsel -nu zij beneficiair aanvaard hebben- slechts gezamenlijk als vereffenaar bevoegd te procederen, tenzij de kantonrechter anders heeft bepaald (vgl. Rov. 3.4 van het tussenarrest van 14 oktober 2025). Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] de kantonrechter heeft verzocht om anders te bepalen, door te verzoeken om een machtiging te verlenen om zelfstandig (dus zonder de medewerking van hun mede-vereffenaar) ten behoeve van de nalatenschap te kunnen procederen. Evenmin is met toepassing van artikel 4:203 BW een vereffenaar benoemd.
6.2.5.
De Hoge Raad (HR) heeft in een arrest van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:662, overwogen dat tot de taken van een vereffenaar behoort de vertegenwoordiging van de erfgenamen in en buiten rechte (artikel 4:211 lid 2 BW). Ingeval van beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap door een of meer erfgenamen moet ook deze bevoegdheid in beginsel door de erfgenamen tezamen worden uitgeoefend. De kantonrechter kan echter anders bepalen. Er is geen goede grond om aan te nemen dat de kantonrechter dat slechts in een afzonderlijke, daartoe strekkende procedure kan doen. De kantonrechter kan ook anders bepalen door een of meer van de vereffenaars te ontvangen in een verzoek dat volgens de hoofdregel door de vereffenaars tezamen had moeten worden ingediend. In dat geval moet ook ten aanzien van de overige vereffenaars recht worden gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. In een geval als in die zaak aan de orde, waarin een van de vereffenaars een verzoek heeft gedaan tot opheffing van de vereffening, is de rechtspositie van de overige vereffenaars gewaarborgd doordat zij worden gehoord of behoorlijk opgeroepen (artikel 4:209 lid 1 BW). In een eerder arrest (HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:721) had de HR al geoordeeld dat de partij het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in deze procedure, die was aangespannen door de in de loop van het geding in eerste aanleg overleden wederpartij, had dienen in te stellen tegen diens gezamenlijke erfgenamen, in dit geval vanwege de beneficiaire aanvaarding tegen de gezamenlijke vereffenaars. De partij die in hoger beroep kwam was echter zelf een van de vereffenaars. De HR oordeelde dat nu die partij als appellante ook zelf in het appel betrokken was -en het gezag van gewijsde van de door het hof te geven beslissing zich dus tot alle erfgenamen, tevens vereffenaars, zou uitstrekken- het zonder enige zin zou zijn te eisen dat zij ook zichzelf, als mede-vereffenaar, in hoger beroep zou dagvaarden.
6.2.6.
Hoewel het hof zich realiseert dat onderhavige kwestie voor wat betreft de feiten en de vorderingen afwijkt van voornoemde uitspraken, ziet het hof aanleiding om de in die uitspraken gehanteerde benadering vanuit een oogpunt van deformalisering van het procesrecht en met het oog op een efficiënte en doelmatige geschilbeslechting toe te passen in de onderhavige zaak. Dat leidt ertoe dat het hof [geïntimeerden] zal ontvangen in hun vorderingen namens de nalatenschap, mits alle vereffenaars in rechte worden betrokken en hun standpunten kenbaar hebben kunnen maken. Het hof wijst erop dat een rechterlijke beslissing over een processueel ondeelbare rechtsverhouding steeds jegens alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen gezag van gewijsde heeft, ongeacht door wie en tegen wie de vordering is ingesteld en ongeacht wie tegen de vordering verweer heeft gevoerd. Het is dan ook rechtens noodzakelijk dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Dat ligt in onderhavige kwestie niet anders.
6.2.7.
Dit betekent dat in dit hoger beroep alle partijen de mogelijkheid moeten krijgen om hun standpunten kenbaar te maken. Het hof zal [geïntimeerden] daarom in de gelegenheid stellen om de erven [persoon A] alsnog in de procedure te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv. Tijdens de mondelinge behandeling is door partijen aangegeven dat ervan wordt uitgegaan dat de weduwe van [persoon A] in diens rechten is getreden. Het hof neemt aan dat [geïntimeerden] dit een en ander zal verifiëren door een verklaring van erfrecht op te vragen, alvorens tot oproeping over te gaan, welke verklaring van erfrecht te zijner tijd ook aan het hof dient te worden overgelegd.
6.2.8.
Als [geïntimeerden] geen gebruik maakt van de gelegenheid om de erven [persoon A] in hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster op de voet van artikel 118 Rv in het geding te betrekken, dan zal [geïntimeerden] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.”
9.1.2.
De erven [persoon A] zijn, na deugdelijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. Aan hen is verstek verleend.
9.1.3.
Nu alle vereffenaars in de procedure zijn betrokken, kunnen [geïntimeerden] in hun vorderingen namens de nalatenschap worden ontvangen. Het hof komt derhalve toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.
de kern van het geschil
9.2.1.
[appellanten] hebben tijdens het leven van de oma van [appellante sub 2] , de moeder van [geïntimeerden] en [persoon A] , gezamenlijk het beheer gevoerd over de financiën en administratie van oma/moeder. [geïntimeerden] stelt zich op het standpunt dat zij daarbij onrechtmatig gelden hebben onttrokken, die zij aan de nalatenschap van oma/moeder dienen te vergoeden. De rechtbank heeft geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat [appellanten] gelden hebben aangewend voor eigen gebruik, zonder dat zij daarvoor toestemming hadden, zodat zij jegens oma/moeder onrechtmatig hebben gehandeld. Nadat [geïntimeerden] de gelegenheid hebben gekregen hun vorderingen nader te onderbouwen, heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerden] tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 45.461,43 toegewezen.
9.2.2.
Het door [appellanten] tegen die vonnissen ingestelde hoger beroep is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard, vanwege de nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep. De Hoge Raad heeft dit arrest vernietigd en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar dit hof.
9.2.3.
Het hof komt tot het zelfde oordeel als de rechtbank, zij het dat de schade op een lager bedrag wordt begroot. Dat oordeel wordt hierna verder toegelicht.
de feiten
9.3.
In rov. 2.1 tot en met 2.7 van het tussenvonnis van 20 december 2019 heeft de rechter in eerste aanleg vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds voldoende gemotiveerd gesteld en anderzijds niet (voldoende gemotiveerd) betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten voor zover relevant in hoger beroep.
9.3.1.
[geïntimeerden] en [persoon A] zijn allen kinderen van mevrouw [persoon B] (hierna te noemen: ‘ [persoon B] ’), geboren op 5 juli 1928 en overleden op 12 november 2015. [appellante sub 2] is de dochter van [persoon A] en de kleindochter van [persoon B] . [appellant sub 1] is de partner van [appellante sub 2] en geen familie van [persoon B] .
9.3.2.
Omdat [persoon B] niet meer in staat was haar eigen financiële belangen te behartigen, hebben [appellanten] vanaf begin 2009 het beheer van de financiën en administratie van [persoon B] op zich genomen. De rekening van [persoon B] is gewijzigd in een en/of-rekening en [appellant sub 1] is mederekeninghouder geworden. Ook ontving [appellant sub 1] een bankpas van de bankrekening van [persoon B] . [appellanten] zouden betalingen verrichten ten behoeve van [persoon B] en haar wekelijks contant leefgeld verstrekken.
9.3.3.
In de brief van 9 februari 2009 aan [geïntimeerden] hebben [appellanten] onder meer het volgende geschreven:
“(…)
Sinds halverwege januari 2009 hebben [appellante sub 2] en ik de administratie en financiële zaken van (onze oma) jullie moeder overgenomen. De afgelopen weken stonden vooral in het teken van het oplijnen, uitzoeken en inventariseren.
Via deze brief willen we jullie op de hoogte brengen van de stand van zaken. Dit doen we door alle zaken punt voor punt te doorlopen en daarbij de stand van zaken aan te geven. We sluiten af met onze conclusie en een aantal aanbevelingen.
Voor alle duidelijkheid. [appellante sub 2] en ik
beheren
de administratie en financiële zaken, wij
beslissen niets
. Beslissingen worden genomen door jullie! Indien er iets is waarover een beslissing genomen moet worden, zullen wij [persoon C] informeren. [persoon C] zal dan met jullie overleggen. Kortom [persoon C] is onze tussenpersoon.
Zie ons als de administratie en bank van Ma. Als Ma iets wil weten of (extra) geld van haar Rabobank
spaarrekening wil dan haalt ze dit niet bij de bank of andere instantie maar bij ons.
Verder mag je van [appellante sub 2] en mij verwachten dat wij jullie per kwartaal op de hoogte zullen houden van de administratie en financiële zaken van Ma. Dit zullen we doen door jullie per kwartaal een soortgelijke brief te sturen met eventuele financiële overzichten etc.
(…)”
9.3.4.
Vanaf medio mei 2013 is er onrust ontstaan bij [geïntimeerden] over de financiële situatie van [persoon B] . [persoon B] was toen nog niet overleden. Er vinden tussen partijen gesprekken plaats over het beheer van de financiën en administratie. Medio oktober 2014 blijkt uit een bericht van de verhuurder van [persoon B] dat zij haar huurwoning binnen drie weken zal moeten verlaten, vanwege een opgelopen huurschuld van € 6.000,00.
9.3.5.
Bij beschikking van de kantonrechter van 7 november 2014 is de heer [persoon D] (hierna te noemen: ‘ [persoon D] ’) op verzoek van [geïntimeerden] benoemd tot bewindvoerder van [persoon B] . [persoon D] heeft getracht de financiële administratie van [persoon B] op orde te brengen.
9.3.6.
Door [persoon D] is op 6 mei 2015 aangifte gedaan van verduistering tegen [appellanten] . Uit de aangifte van [persoon D] blijkt dat in de periode van 1 februari 2009 tot en met 28 oktober 2014 er in totaal € 63.892,63 is afgeschreven van de bankrekening van [persoon B] . Uit de aangifte van [persoon D] blijkt dat in diezelfde periode [persoon B] in ieder geval in totaal € 20.580,00 aan leefgeld heeft ontvangen, € 900,00 aan een vliegticket naar Surabaya en € 2.825,71 heeft uitgegeven. Het meerdere aan uitgaven van € 39.586,92 kan [persoon D] niet verklaren en wordt door hem gekwalificeerd als ten onrechte door [appellanten] opgenomen bedragen. Naast de onttrekkingen stelt [persoon D] dat ten gevolge van het handelen van [appellanten] er schulden zijn ontstaan van in totaal € 16.695,15, welke schulden eveneens als schade dienen te worden aangemerkt. Ook zouden [appellanten] debetrente verschuldigd zijn van € 413,08. In totaal komt [persoon D] dus uit op een benadelingsbedrag van € 56.695,15.
9.3.7.
In het kader van de strafvervolging van [appellanten] heeft mevrouw [persoon E] , opsporingsambtenaar werkzaam bij de brigade Recherche van de Koninklijke Marechaussee het wederrechtelijk verkregen voordeel door [appellanten] berekend. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [persoon E] van 22 september 2015 blijkt dat van 1 februari 2009 tot en met 24 oktober 2014 een bedrag van € 54.580,20 aan contante opnames is afgeschreven van de rekening van [persoon B] , waarvan niet bekend is waar deze bedragen voor zijn gebruikt.
9.3.8.
Op 29 april 2019 is zowel [appellant sub 1] als [appellante sub 2] door de rechtbank Gelderland
veroordeeld voor het medeplegen van verduistering. [appellanten] hebben hoger beroep tegen deze veroordeling ingesteld.
9.3.9.
Bij arresten van 7 oktober 2020 van de militaire kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn die vonnissen vernietigd en is het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging, om de reden dat niet is voldaan aan de eisen zoals door de wet gesteld: er is geen sprake van een rechtsgeldige, door een daartoe bevoegde persoon tijdig ingediende, klacht.
de vordering van [geïntimeerden] en de beslissingen van de rechtbank, het hof en de Hoge Raad
9.4.1.
[geïntimeerden] heeft in eerste aanleg na vermeerdering van eis -samengevat- gevorderd [appellanten] te veroordelen tot betaling van € 61.037,32, vermeerderd met rente en kosten. Zoals het hof in het tussenarrest van 2 juni 2026 (rov. 6.2.4) al had overwogen, verstaat het hof die vordering zo dat deze namens de gezamenlijke erfgenamen is ingesteld, zodat bij een eventuele toewijzing ook aan hen moet worden betaald.
9.4.2.
[geïntimeerden] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat [appellanten] onrechtmatig jegens [persoon B] hebben gehandeld door met haar bankpas en ten laste van haar bankrekening zonder haar toestemming en zonder haar medeweten bedragen te pinnen of anderszins zichzelf te bevoordelen. [geïntimeerden] heeft gesteld dat de schade € 61.037,32 bedraagt.
9.4.3.
[appellanten] hebben de vorderingen gemotiveerd weersproken. Op hun verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
9.4.4.
In het tussenvonnis van 20 december 2019 heeft de rechtbank -kort weergegeven- geoordeeld dat [appellanten] gelden hebben onttrokken aan de bankrekening van [persoon B] voor eigen gebruik. Nu tussen partijen niet ter discussie staat dat [persoon B] geen toestemming heeft gegeven voor het doen van deze betalingen en opnames, staat tevens vast dat [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld. Om de exacte omvang van de onrechtmatige onttrekkingen en de door [persoon B] geleden schade vast te kunnen stellen, heeft de rechtbank [geïntimeerden] in de gelegenheid gesteld nader inzichtelijk te maken en te onderbouwen wat de exacte omvang van de onrechtmatige onttrekkingen is geweest.
9.4.5.
In het eindvonnis van 9 juni 2020 heeft de rechtbank de schade begroot op het totaalbedrag aan de door [appellanten] gedane afschrijvingen die niet aan [persoon B] ten goede zijn gekomen, vermeerderd met toewijsbare (overige) schadeposten. De vordering van [geïntimeerden] is in hoofdsom tot een bedrag van € 45.461,43 toegewezen, vermeerderd met rente en kosten.
9.4.6.
In het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 mei 2022 is geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep nietig is omdat het voorschrift van artikel 46 lid 1 Rv niet is nageleefd en [geïntimeerden] daardoor niet zijn beschermd in de belangen waarop dat artikel betrekking heeft. Om die reden zijn [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep.
9.4.7.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 juli 2023 geoordeeld dat [geïntimeerden] door het gebrek in de dagvaarding in hoger beroep niet onredelijk in hun belangen zijn geschaad, zodat het beroep op de nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep moet worden verworpen. De zaak is verwezen naar dit hof ter verdere behandeling in beslissing.
het geschil in hoger beroep na verwijzing
9.5.1.
[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Zij hebben aangevoerd dat de vordering is verjaard (grief 1), dat de feitelijke grondslag aan de vordering is komen te ontvallen omdat het bewijs uit de strafprocedure niet mag worden meegenomen (grief 2), en dat, indien en voor zover de vordering voor toewijzing vatbaar is, de hoogte van het schadebedrag volgens hen lager vastgesteld dient te worden (grief 3).
[appellanten] hebben geconcludeerd tot:
1. vernietiging van de vonnissen waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende;
2. primair de vordering af te wijzen, subsidiair de vordering vast te stellen op een bedrag van € 12.011,74;
3. met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de procedure.
9.5.2.
[geïntimeerden] heeft de grieven weersproken en primair geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellanten] in hun hoger beroep, en subsidiair tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
het beroep op verjaring (grief 1)
9.6.1.
[appellanten] stellen onder verwijzing naar artikel 3:310 BW dat de vordering van [geïntimeerden] is verjaard. [persoon B] was volgens hen al sinds medio 2013 bekend met zowel de
schade als met de aansprakelijke personen. Zij verwijzen ter onderbouwing van dat standpunt naar de verklaring van de heer [persoon F] (hierna: [persoon F] ) ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee, waarin hij heeft verklaard dat [geïntimeerden] sinds medio 2013 ongerust werd aangezien er steeds vaker brieven van deurwaarders en incassobureaus binnenkwamen. [persoon F] heeft verder verklaard dat hij tezamen met [persoon C] [persoon A] (hof: geïntimeerde sub 6) medio juni 2013 een gesprek hierover heeft gevoerd met [appellanten] , en dat op 24 juni 2013 hierover een tweede gesprek heeft plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat [persoon B] en [geïntimeerden] uiterlijk sinds medio mei 2013 al op de hoogte waren van de vermeende verduistering van het geld van haar bankrekening en dat [appellanten] daar verantwoordelijk en aansprakelijk voor zouden zijn. De verjaringstermijn is voltooid op of omstreeks 15 mei 2018, doch in het uiterste geval op 31 mei 2018, aldus -steeds- [appellanten] .
[geïntimeerden] weerspreekt de stellingen gemotiveerd.
9.6.2.
Het hof is van oordeel dat het beroep op verjaring niet slaagt. [appellanten] hebben een beroep gedaan op de relatieve (korte) verjaringstermijn van vijf jaar ex artikel 3:310 lid 1 BW. Naar het oordeel van het hof hebben zij niet voldoende onderbouwd dat deze termijn is verstreken. Daartoe wordt het navolgende overwogen.
9.6.3.
Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon moet aldus worden opgevat dat het gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet voldoende is. Dit betekent dat de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid -die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn- heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Op welk tijdstip de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval (vgl. HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18 en 19).
9.6.4.
De verjaringstermijn gaat lopen op het moment dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met feiten en omstandigheden die betrekking hebben op 1) de schade, en 2) de daarvoor aansprakelijke perso(o)n(en). Het gaat voor de toepassing van dit artikel om de bekendheid van [persoon B] tijdens haar leven en niet om eventuele bekendheid van de personen in haar directe omgeving. Zouden de stellingen van [geïntimeerden] slagen, dan is immers jegens [persoon B] onrechtmatig gehandeld en is zij in dat geval de benadeelde. [appellanten] stellen wel dat [persoon B] medio 2013 bekendheid verkreeg, maar onderbouwen dat niet. Uit de verklaring van [persoon F] volgt dat niet. Zou al moeten worden geconcludeerd dat naar aanleiding van de eerste constateringen en onderzoekende gesprekken voldoende zekerheid zou hebben bestaan dat schade is veroorzaakt in het vermogen van [persoon B] door onrechtmatig handelen door [appellanten] , dan nog is dat niet voldoende. De door [persoon F] beschreven zorgen over de situatie naar aanleiding van aanmaningen door deurwaarders en dergelijke ontstonden bij de kinderen van [persoon B] , zo heeft hij verklaard. Ook bij de daarna met [appellanten] gevoerde gesprekken en het benaderen van het Steunpunt Huiselijk Geweld is [persoon B] volgens zijn verklaring niet betrokken geweest. Uit die verklaring kan ook niet worden afgeleid dat en op welk moment [persoon B] voldoende concreet is ingelicht over de constateringen en de gevolgen daarvan voor haar financiële positie. Weliswaar staat daarin beschreven dat [persoon B] “indertijd” geen aangifte van diefstal wilde doen, maar niet duidelijk is op welk moment dat was en ook niet of zij op dat moment daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke perso(o)n(en). [appellanten] hebben geen andere feiten gesteld waaruit, indien bewezen, die wetenschap kan worden afgeleid. Dat betekent dat het hof niet kan vaststellen op welk moment de verjaringstermijn -toen [persoon B] nog in leven was- is gaan lopen. De procesinleiding dateert van 22 januari 2019, derhalve korter dan vijf jaar na het overlijden van [persoon B] .
9.6.5.
Nu [appellanten] onvoldoende feiten hebben gesteld die hun beroep op verjaring kunnen dragen, behoeft aan bewijslevering -nog daargelaten dat een voldoende specifiek en ter zake doend bewijsaanbod ontbreekt- niet te worden toegekomen. De grief slaagt niet.
de feitelijke grondslag van de vordering (grief 2)
9.7.1.
[appellanten] hebben aangevoerd dat de rechtbank de onttrekking van bedragen van de bankrekening van [persoon B] door hen ten onrechte heeft gebaseerd op het strafrechtelijk onderzoek en op de strafrechtelijke veroordeling van [appellanten] . Deze bronnen mogen volgens hen niet langer als grondslag dienen nu het Openbaar Ministerie in de strafzaak niet-ontvankelijk is verklaard. Al vanaf de start van het onderzoek is te laat, op onjuiste wijze en door een onbevoegde een klacht ingediend welke “klacht” heeft geleid tot (de bevindingen binnen) het onderzoek waarop de rechtbank in de civielrechtelijke procedure zich baseert. De hieruit voortvloeiende en hierop gebaseerde overige onderzoekshandelingen dienen eveneens buiten beschouwing gelaten te worden nu deze überhaupt niet hadden mogen worden verricht, aldus [appellanten] .
[geïntimeerden] weerspreekt de stellingen.
9.7.2.
Aan [appellanten] kan worden toegegeven dat de vonnissen waarbij zij strafrechtelijk zijn veroordeeld zijn vernietigd. De veroordelingen zijn op zichzelf dus niet langer een feit dat ten grondslag kan worden gelegd aan de stelling dat er door hen onrechtmatig geld is onttrokken. Aan die stelling zijn echter nog meer feiten ten grondslag gelegd, onder meer onderbouwd door stukken afkomstig uit het strafdossier. Het hof begrijpt de stellingen van [appellanten] zo dat zij menen dat die stukken buiten de beoordeling dienen te blijven omdat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.
9.7.3.
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop. Artikel 152 Rv bepaalt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan artikel 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd (vgl. o.a. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942).
9.7.4.
In het onderhavige geval gaat het om vergaard bewijs in een strafrechtelijk onderzoek, ingezet naar aanleiding van een achteraf bezien onterecht ingediende klacht. Zo hier al sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen bewijs, dan brengt dit nog niet zonder meer mee dat op dat bewijs voor zover dat in deze procedure is ingebracht, geen acht mag worden geslagen. [appellanten] hebben geen bijkomende omstandigheden gesteld die deze conclusie zouden rechtvaardigen. Bovendien beroepen zich zij zich zelf ook deels op uit het strafdossier afkomstige stukken in deze civiele procedure, zodat ook om die reden het betoog van [appellanten] faalt.
9.7.5.
Daar komt tot slot nog bij dat [geïntimeerden] er terecht op wijst dat het oordeel van de rechtbank mede gebaseerd is op ander bewijs en op de erkenning van [appellante sub 2] in de civiele procedure.
9.7.6.
De grief slaagt niet.
de omvang van de schade (grief 3)
9.8.1.
[appellanten] hebben aangevoerd dat de rechtbank de schade niet correct heeft begroot. Ter onderbouwing van hun stelling dat veel opnames en betalingen ten goede zijn gekomen aan [persoon B] , hebben zij een door hen zelf opgesteld overzicht in het geding gebracht. Ook zijn onder andere kopieën van bankafschriften en kwitanties bijgevoegd. Volgens [appellanten] hebben deze opnames plaatsgevonden met toestemming van [persoon B] .
[geïntimeerden] heeft de standpunten van [appellanten] weersproken.
9.8.2.
Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft de omvang schade begroot op € 45.461,43. Dit bedrag is als volgt tot stand gekomen:
Totaal afschrijvingen: € 63.892,63
Af: leefgeld: € 20.580,00 -/-
Af: vliegticket: € 900,00 -/-
Af: verjaardagen, cadeaus, uitstapjes: € 2.825,71 -/-
Subtotaal: € 39.586,92
Bij: debetrente € 414,08
Bij: notariskosten € 333,75
Bij: kosten register executeur: € 1.406,68
Bij: leefgeld betaald door erven € 3.720,00
Totaal: € 45.461,43
Het hof begrijpt grief 3 van [appellanten] aldus dat zij aanvoeren dat er een hoger bedrag ten goede is gekomen aan oma dan enkel voornoemde bedragen € 900,00 en € 2.825,71 ter zake vliegtickets, verjaardagen, cadeaus en uitstapjes. Volgens hen moet dit bedrag ten minste € 27.575,18 zijn. Zij verwijzen daarvoor naar het door hen opgestelde overzicht in productie 3 onder 2.7 t/m 2.11.
Verder begrijpt het hof dat [appellanten] bezwaar maken tegen de twee toegewezen aanvullende schadeposten ter zake de notariskosten ad € 333,75 en de kosten register executeur ad € 1.406,68. Alhoewel [appellanten] in de memorie van grieven enkel deze twee posten hebben benoemd en hebben verwezen naar punt 2.13 van het door hen opgestelde overzicht in productie 3 en daarmee niet overeenkomstig de wegwijsplicht in civiele zaken hebben gehandeld, is het hof desalniettemin van oordeel dat [appellanten] dit bezwaar voldoende duidelijk naar voren hebben gebracht. In punt 2.13 van dat overzicht blijkt duidelijk wat hun bezwaar is en ook [geïntimeerden] heeft dit, gelet op het inhoudelijk verweer daartegen, als bezwaar opgevat. Het hof is daarom van oordeel dat ook deze twee posten inhoudelijk beoordeeld kunnen worden. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628 (Embrica/Baros).
9.8.3.
Het hof zal eerst de door [appellanten] genoemde bedragen onder 2.7 – 2.11 beoordelen, die volgens hen ten goede zijn gekomen aan oma.
(2.7) opnames voor boodschappen bij diverse supermarkten, slagerijen, bakkerijen en Aziatische toko’s in [woonplaats 2]
Het hof begrijpt dat [appellanten] aanvoeren dat er voor € 1.584,68 boodschappen met en voor oma bij winkels in [woonplaats 2] zijn gedaan en voor € 295,67 bij diverse Aziatische toko’s. Zij hebben een overzicht gemaakt van de diverse transacties op verschillende data en verwezen naar bankafschriften. Uit het door [appellanten] overgelegde documenten kan echter zonder nadere stellingen, die ontbreken, niet worden afgeleid dat deze bedragen met en voor oma zijn besteed. Zij hebben hun verweer daarom onvoldoende onderbouwd. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat deze bedragen ten goede zijn gekomen aan oma.
(2.8) contante stortingen met de bankpas die in het bezit was van [appellante sub 2] :
[appellanten] hebben gesteld dat zij in de periode 2009 tot en met 2014 voor een bedrag van in totaal € 3.600,00 contante stortingen hebben gedaan met de pas die in het bezit was van [appellante sub 2] . [geïntimeerden] heeft de contanten stortingen als zodanig niet betwist. Wel geeft [geïntimeerden] aan in de memorie van antwoord dat [appellanten] een verkeerd beeld schetsen omdat tegenover de stortingen ook steeds opnames al dan niet in de vorm van muntrollen of betalingen ten gunste van hen zelf staan. Het hof overweegt evenwel dat in de begroting van [geïntimeerden] van de schade rekening is gehouden met die (pin)opnames en andere betalingen (waaronder het vakantiegeld), waaronder die in de vorm van muntrollen (zie het bij de akte uitlating omvang schade d.d. 22 januari 2020 als productie 2 gevoegde overzicht). Zonder nadere stellingen van [geïntimeerden] die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, strekt het bedrag van € 3.600,00 daarom in mindering op de schadevordering.
(2.9) overboekingen van de bankrekening van [appellant sub 1] naar rekening van oma;
Volgens [appellanten] zijn er in de periode 2009 tot en met 2014 voor een bedrag van € 3.454,47 overboekingen gedaan van een rekening van [appellant sub 1] naar de rekening van oma. [geïntimeerden] heeft dit als zodanig niet betwist, maar gesteld dat daartegenover opnames staan (met uitzondering van de twee laatste posten). Nu in de begroting van [geïntimeerden] van de schade rekening is gehouden met de opnames, valt zonder nadere stellingen van [geïntimeerden] , die ontbreken, niet in te zien, dat de betreffende overboekingen van de bankrekening van [appellant sub 1] naar die van oma niet in mindering strekken op de schadevordering. Alleen al daarom komt het hof niet toe aan bewijslevering.
(2.10) contante betalingen van [appellante sub 2] aan [persoon B]
[appellanten] voeren aan dat zij in de periode van 4 oktober 2014 tot en met 14 september 2015 conform de afspraak die [appellante sub 2] en oma hadden gemaakt, wekelijks contante bedragen van in totaal € 3.850,00 aan oma hebben gegeven. Zij verwijzen naar diverse kwitantiebriefjes die zouden zijn ondertekend door oma.
[geïntimeerden] betwist ten aanzien van de kwitantiebriefjes 1 tot en met 15 de echtheid van de handtekening van oma. De handtekening op de kwitantiebriefjes wijkt in de meeste gevallen sterk af van de handtekening op de door hen overgelegde identiteitskaart van oma en [appellante sub 2] is eerder veroordeeld voor valsheid in geschrifte. Ten aanzien van de kwitantiebriefjes vanaf nummer 16 die zijn gedateerd vanaf 27 januari 2015 stelt [geïntimeerden] dat oma zelf niet meer bevoegd was om te tekenen omdat zij al vanaf 7 november 2014 onder bewind stond.
Het hof volgt [geïntimeerden] Uit de door [appellanten] overgelegde kwitanties kan op het eerste gezicht niet zonder meer worden afgeleid dat de handtekening die daarop staat van oma is. De stelplicht van de echtheid van de handtekening rust gelet op het bepaalde in artikel 159 Rv op [appellanten] . Nu [appellanten] geen enkel bewijs hebben aangeboden van de echtheid van de handtekening kan het hof niet van de juistheid van de kwitanties uitgaan. Verder is het hof met [geïntimeerden] van oordeel dat oma vanaf het moment dat zij onder beheer stond niet langer bevoegd was de kwitanties te ondertekenen. Onder beheer valt immers ook het aannemen van prestaties op onder bewind staande vorderingen.
(2.11) diverse opnames en aankopen
[appellanten] voeren nog aan dat zij opnames hebben ten behoeve van de verjaardag van oma (geschatte gemiddelde kosten € 4.875,22), muntrollen ten behoeve van een ‘piring natzar’ die oma jaarlijks maakte (geschatte kosten over diverse jaren van in totaal € 305,30) de kerstperiodes (geschatte kosten over diverse jaren van € 1.280,61), aankopen van kleding en/of schoenen voor oma (geschatte kosten over diverse jaren € 291,31) in [woonplaats 2] of goedkopere winkels, de aanschaf van een NS-voordeel-urenkaart voor het jaar 2009, verlengd voor het jaar 2010 ten behoeve van oma (€ 138,00), de kosten van een doorlopende reisverzekering voor het jaar 2009, verlengd voor het jaar 2010 ten behoeve van oma (€ 143,16) en de opname van de jaarlijkse bijdrage van De Rietkerk (€ 2.230,00).
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd betwist dat deze bedragen zijn besteed voor de genoemde doelen ten behoeve van oma.
Nog daargelaten dat ten aanzien van een groot deel van de genoemde bedragen niet onderbouwd is dat deze besteed zijn voor de gestelde doeleinden, geldt dat [appellanten] in het geheel niet hebben laten zien dat de bedragen ten goede zijn gekomen aan oma. Alleen al daarom komt het hof niet toe aan bewijslevering. Hieruit vloeit voort dat deze bedragen niet in mindering komen op het toegewezen schadebedrag.
(2.13) aanvullende schadeposten
Het hof volgt [appellanten] niet in hun bezwaren tegen de notariskosten ad € 333,75 en de kosten register executeur ad € 1.406,68. Aan [geïntimeerden] kan naar het oordeel van het hof niet worden tegengeworpen dat het zijn eigen keuze is geweest om beneficiair te aanvaarden en dat deze kosten daarom voor zijn rekening moeten blijven. Het is immers door het handelen van [appellanten] dat er aanzienlijke schulden zijn ontstaan, waarvoor [geïntimeerden] -indien zij de nalatenschap zuiver zouden hebben aanvaard- met zijn privévermogen aansprakelijk zou zijn.
9.8.4.
De conclusie is dat de grief in zoverre slaagt dat op het toegewezen schadebedrag in mindering strekt een bedrag van € 7.054,47 (namelijk € 3.600,00 + € 3.454,47). De schade bedraagt daarmee € 38.406,96 (immers € 45.461,43 -/- € 7.054,47).
conclusie en afwikkeling
9.9.1.
Het hoger beroep treft doel. Het tussenvonnis van 20 december 2019 wordt bekrachtigd en het eindvonnis wordt vernietigd voor zover het de veroordeling in rov. 3.1 betreft. Voor het overige wordt het bekrachtigd, nu [appellanten] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zijn aan te merken.
9.9.2.
Het hof zal [appellanten] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Het hof zal de kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] vaststellen op:
griffierechten € 760,00
salaris advocaat € 5.880,00 (2,5 punt(en) x tarief IV)
nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
____________________________________+
Totaal € 6.829,00
9.9.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
9.9.4.
Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen. De rechter kan in de omstandigheden van het geval aanleiding zien om anders te bepalen, bijvoorbeeld als de in de kosten te veroordelen partijen niet bij dezelfde advocaat of gemachtigde zijn verschenen en geen gelijkluidend verweer hebben gevoerd. Die omstandigheden doen zich niet voor.
10De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het tussenvonnis van 20 december 2019 van de rechtbank Gelderland, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;
vernietigt het eindvonnis van 9 juni 2020 van de rechtbank Gelderland, voor zover het de veroordeling in rov. 3.1. betreft;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan de gezamenlijke erfgenamen in de nalatenschap van [persoon B] te betalen een bedrag van € 38.406,96, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 22 januari 2019;
bekrachtigt het eindvonnis van 9 juni 2020 van de rechtbank Gelderland, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen voor het overige;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep van
€ 6.829,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellanten] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten [appellanten]
€ 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellanten] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, S.M.J. Korthuis-Becks en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 september 2026.
griffier rolraadsheer